De volgende regels op te stellen m.b.t. het aanwezig hebben van dieren:
Dieren dienen op een zodanige wijze gehouden te worden dat geen hinder, overlast of schade wordt veroorzaakt voor de omgeving.
Paarden, rundvee, schapen en varkens mogen niet gehouden worden binnen de bebouwde kom, met uitzondering van gebieden die binnen het bestemmingsplan buitengebied vallen.
Het is verboden dieren te houden waarvan door burgemeester en wethouders geconstateerd is dat deze hinderlijk of schadelijk zijn en zij dit d.m.v. aanschrijving aan de eigenaar/houder van het dier hebben medegedeeld.
Van het bepaalde in het tweede lid kunnen burgemeester en wethouders ontheffing verlenen.
Artikel 2.60
Houden van hinderlijke of schadelijke dieren
Onderdeel van Uitvoeringsbepalingen Algemene Plaatselijke Verordening