Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 12.

Persoonsgebonden budget

Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Leusden 2015

1. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor een zaak wordt bepaald aan de hand van en tot het maximum van de kostprijs van de in de situatie van de cliënt goedkoopst compenserende voorziening in natura en is toereikend voor de aanschaf daarvan. 2. Voor zover dit geen onderdeel is van het persoonsgebonden budget, kan het bedrag worden aangevuld met een vergoeding voor onderhoud en verzekering. 3. De hoogte van het persoonsgebonden budget voor dienstverlening is opgebouwd uit verschillende kostencomponenten zoals salaris, vervanging tijdens vakantie, verzekeringen en reiskosten. 4. Een cliënt ten behoeve van wie een persoonsgebonden budget wordt verstrekt, kan geen diensten, hulpmiddelen, woningaanpassingen en andere maatregelen betrekken van een persoon die behoort tot het sociale netwerk, tenzij volgens afwegingscriteria een duidelijke meerwaarde is aangetoond. In voorkomend geval: a. krijgt deze persoon een lager tarief betaald voor zijn diensten dan door het college in het Besluit vastgestelde tarief. Dit lagere tarief wordt door het college in het Besluit vastgesteld; b. mogen tussenpersonen of belangenbehartigers niet uit het persoonsgebonden budget worden betaald. 5. Een persoonsgebonden budget dient door de cliënt binnen zes maanden na toekenning te worden aangewend ten behoeve van het resultaat waarvoor het is verstrekt, tenzij hierover met het college afspraken zijn gemaakt. 6. Het college kan nadere regels stellen over de hoogte van het persoonsgebonden budget;

Rechtspraak bij dit artikel