In deze verordening wordt verstaan onder:
RVV 1990 : het Reglement verkeersregels en
verkeerstekens van 26 juli 1990, Stb. 459;
voertuig : hetgeen daaronder wordt verstaan in het
RVV 1990;
parkeren : het gedurende een aaneengesloten periode
doen of laten staan van een voertuig, anders dan gedurende de
tijd die nodig is voor en gebruikt wordt tot het onmiddellijk
in- of uitstappen van personen dan wel het onmiddellijk laden of
lossen van goederen, op binnen de gemeente gelegen voor het
openbaar verkeer openstaande terreinen of weggedeelten, waarop
dit doen of laten staan niet ingevolge een wettelijk voorschrift
is verboden;
houder : degene die naar de omstandigheden als houder
van een voertuig moet worden beschouwd, met dien verstande dat
voor een motorvoertuig dat is ingeschreven in het krachtens de
Wegenverkeerswet (Stb. 1935, 554) aangehouden register van
opgegeven kentekens als houder wordt aangemerkt degene op wiens
naam het voor het motorvoertuig opgegeven kenteken ten tijde van
het parkeren in het register was ingeschreven.
parkeerapparatuur : parkeermeters, parkeerautomaten
met inbegrip van verzamelparkeermeters en hetgeen naar
maatschappelijke opvatting overigens onder parkeerapparatuur
wordt verstaan;
parkeerapparatuurplaats: een parkeerplaats
behorende bij parkeerapparatuur;
belanghebbendenplaats : een parkeerplaats die
is aangeduid met bord E9 uit bijlage I van het RVV 1990
of
gelegen is binnen een zone, aangeduid met bord E9 uit
bijlage I van het RVV 1990 met het opschrift zone, voor
zover deze plaats niet is uitgezonderd;
vergunning : een door het College verleende
vergunning, krachtens welke het is toegestaan een motorvoertuig
te parkeren op daartoe aangewezen parkeerapparatuur- en/of
belanghebbendenplaatsen;
vergunninghouder : de natuurlijke of rechtspersoon
aan wie een vergunning is verleend.