Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3

Algemene bepalingen over voorzieningen

Onderdeel van Re-integratieverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015

1. Het dagelijks bestuur stelt ter nadere uitvoering van deze verordening beleidsregels vast waarin wordt vastgelegd welke voorzieningen, waaronder ondersteunende voorzieningen, het dagelijks bestuur in ieder geval kan aanbieden en de voorwaarden die daarbij gelden voor zover daarover in deze verordening geen nadere bepalingen zijn opgenomen. 2. Het dagelijks bestuur kan een voorziening beëindigen als: a.  de persoon die aan de voorziening deelneemt zijn verplichting als bedoeld in de artikelen 9 en 17 van de Participatiewet, de artikelen 13 en 37 van de IOAW of de artikelen 13 en 37 van de IOAZ niet nakomt; b.  de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer behoort tot de doelgroep; c.  de persoon die aan de voorziening deelneemt algemeen geaccepteerde arbeid aanvaardt waarbij geen gebruik wordt gemaakt van een in deze verordening genoemde voorzieningen, tenzij het betreft een persoon als bedoeld in artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet; d.  naar het oordeel van het dagelijks bestuur de voorziening onvoldoende bijdraagt aan een snelle arbeidsinschakeling; e.  de voorziening naar het oordeel van het dagelijks bestuur niet meer geschikt is voor de persoon die gebruik maakt van de voorziening; f.  de persoon die aan de voorziening deelneemt niet naar behoren gebruik maakt van de aangeboden voorziening; g.  de persoon die aan de voorziening deelneemt niet meer voldoet aan de voorwaarden die in deze verordening worden gesteld om in aanmerking te komen voor die voorziening. 3. Wanneer een voorziening is beëindigd en niet het beoogde doel heeft gehad, kan het dagelijks bestuur besluiten geen nieuwe voorziening aan de belanghebbende aan te bieden.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel