Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1:

Artikel 14:

Bedragen woonvoorzieningen

Onderdeel van Nadere Regels Wmo Olst-Wijhe 2015

Lid 1: De tegemoetkoming voor de verhuis- en inrichtingskosten bedraagt maximaal € 2379,96. De vergoeding is geldig tot 18 maanden na dagtekening beschikking. Lid 2: Het bedrag waarboven het primaat van de verhuizing wordt gehanteerd bedraagt € 6500,- Het bedrag staat voor de duur van 5 jaar. Indien er extra kosten moeten worden gemaakt met betrekking tot dezelfde woning binnen deze periode worden deze kosten bij de initiële kosten opgeteld. Dit om te voorkomen dat bij elke nieuwe aanvraag opnieuw de grens van € 6500,- kan worden gehanteerd. Lid 3: De volgende kostenposten bij het aanpassen van een woning komen in aanmerking: De aanneemsom (hierin begrepen de loon- en materiaalkosten) voor het treffen van de voorziening. De risicoverrekening van loon- en materiaalkosten, met inachtneming van de Risicoregeling woning- en utiliteitsbouw 1991. Het architectenhonorarium tot ten hoogste 10% van de aanneemsom met dien verstande dat dit niet hoger is dan het maximale honorarium als bepaald in Standaard voorwaarden (SR) 1997 van de Bond van Nederlandse Architecten. Alleen in die gevallen dat het noodzakelijk is dat een architect voor de woningaanpassing moet worden ingeschakeld worden deze kosten subsidiabel geacht. Het betreft dan veelal de ingrijpender woningaanpassingen. De kosten voor het toezicht op de uitvoering, indien dit noodzakelijk is, tot een maximum van 2% van de aanneemsom. De leges voor zover deze betrekking hebben op het treffen van de voorziening. De verschuldigde en niet verrekenbare of terugvorderbare omzetbelasting. Renteverlies in verband met het verrichten van noodzakelijke betaling aan derden, tot de datum van gereedmelding, voor zover dit verband houdt met de bouw dan wel het treffen van voorzieningen. De prijs van bouwrijpe grond, indien noodzakelijk als niet binnen de oorspronkelijke kavel kan worden gebouwd. De door het college (schriftelijk) goedgekeurde kostenverhogingen, die ten tijde van de raming van de kosten redelijkerwijs niet voorzien konden worden. De kosten in verband met noodzakelijk technisch onderzoek en adviezen met betrekking tot het verrichten van de aanpassing. De kosten van (her)aansluiting op de openbare nutsvoorziening. Bouwplaatskosten. Werkvoorbereidings- en uitvoerderskosten. Eventuele constructeurskosten. Lid 4: Bij het vergroten van de woning wordt verlangd dat de eigenaar van de woning zijn opstalverzekering aan de hogere herbouwwaarde van de woning aanpast. Lid 5: Het verstrekken van de tegemoetkoming in de kosten van huurderving betreft alleen de periode dat de woonruimte van de aanvrager ten gevolge van het verrichten van een woningaanpassing niet bewoond kan worden en daardoor voor dubbele woonlasten komt te staan. De tegemoetkoming wordt alleen verleend als de aanvrager redelijkerwijs niet had kunnen voorkomen dat hij deze dubbele woonlasten zou hebben. Lid 6: De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van huurderving bedraagt de werkelijke kosten gedurende maximaal zes maanden waarbij de eerste twee maanden niet in aanmerking komen voor een tegemoetkoming. Voorwaarde voor het verstrekken van de tegemoetkoming is dat de woning voor meer dan €4796,91 moet zijn aangepast. Lid 7: De hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van onderhoud, keuring en reparatie van woonvoorzieningen bedraagt de werkelijke kosten waarbij de frequentie van onderhoud en keuring aan leverancier en gemeente wordt voorbehouden. Lid 8: Bij verkoop van een woning binnen 5 jaar dient het bedrag, dat het gevolg is van de meerwaarde van de woning door de aanpassing, aan het college moet worden terugbetaald. Het afschrijvingsschema luidt als volgt: voor het eerste jaar 100% van de meerwaarde; voor het tweede jaar 80% van de meerwaarde; voor het derde jaar 60% van de meerwaarde; voor het vierde jaar 40% van de meerwaarde en voor het vijfde jaar 20% van de meerwaarde.

Rechtspraak bij dit artikel