Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 10.

Artikel 12.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan

Onderdeel van Maatregelen- en handhavingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ 2015 gemeente Rucphen

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(skosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): een onverantwoorde besteding en het snel interen van vermogen; geen of te late aanvraag doen voor een voorliggende voorziening (uitkering of toeslagen zoals huur- of zorgtoeslag); het door eigen schuld verliezen van een voorliggende voorziening; geen recht op huurtoeslag door het in huis nemen van illegalen; verwijtbaar onvoldoende verzekerd zijn of met een hoog eigen risico. Deze kosten zijn dan voorzienbaar, waardoor er geen bijzondere omstandigheden aanwezig worden geacht. Het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid moet worden aangemerkt als een uniforme arbeidsverplichting (zie de artikelen 9, eerste lid, onderdeel a, en 18, vierde lid, onderdeel g, van de Participatiewet). Is sprake van het niet behouden van algemeen geaccepteerde arbeid, dan moet afstemming plaatsvinden volgens de regels van artikel 18 van de Participatiewet en artikel 8 van deze verordening. Eerste lid Op grond van artikel 12 van deze verordening kan een maatregel worden opgelegd wegens het betonen van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. De ernst van de gedraging komt tot uitdrukking in de hoogte van het benadelingsbedrag. Dat is in dit geval het gedeelte van de uitkering waarop eerder, langer, of tot een hoger bedrag een beroep wordt gedaan. De verplichting om voldoende besef van verantwoordelijkheid te (be)tonen voor de voorziening in het bestaan, geldt al voordat een bijstandsuitkering wordt aangevraagd. Dit betekent dat wanneer iemand in de periode voorafgaand aan de bijstandsaanvraag een tekort-schietend besef van verantwoordelijkheid heeft getoond, waardoor hij niet langer beschikt over de middelen om in de kosten van het bestaan te voorzien en als gevolg daarvan een bijstandsuitkering aanvraagt, de gemeente bij de toekenning van de bijstand hiermee rekening kan houden door het opleggen van een maatregel. Tweede lid In het tweede lid wordt een relatie gelegd tussen de hoogte van de maatregel en het benadelingsbedrag. Het benadelingsbedrag is in dit geval de omvang van het vermogen of de voorziening waarmee de betrokkene gedurende kortere of langere tijd buiten de bijstand zou zijn gebleven. Vanwege een eenvoudige uitvoering in de praktijk vindt de berekening van de op te leggen maatregel niet plaats op grond van het feitelijke benadelingsbedrag, maar op basis van een vast bedrag per categorie en wel als volgt: bij een benadelingsbedrag tot € 1.000,00: een maatregel van € 100,00; bij een benadelingsbedrag van € 1.000,00 tot € 3.500,00: een maatregel van € 200,00; bij een benadelingsbedrag van € 3.500,00 tot € 7.500,00: een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 7.500,00 tot € 15.000,00: een maatregel van 100% van de bijstandsnorm gedurende drie maanden; bij een benadelingsbedrag van € 15.000,00 of hoger: een maatregel van 100% gedurende zes maanden. Derde lid Met de inwerkintreding van de Wet aanscherping handhaving en sanctiebeleid SZW-wetgeving is niet alleen het sanctieregime in de Wwb, Ioaw en Ioaz aangescherpt, maar ook het sanctieregime in diverse andere sociale zekerheidswetten. In de diverse andere sociale zekerheidswetten is een vergelijkbaar regime ingevoerd (boete ter hoogte van de ten onrechte ontvangen uitkering en bij recidive boete ter hoogte van 150% van de ten onrechte ontvangen uitkering). Een belangrijk verschil met de Wwb is dat in de overige sociale zekerheidswetten, waaronder ook de Ioaw en Ioaz, het boetebedrag bij recidive in beginsel voor een termijn van vijf jaar moet worden verrekend zonder inachtneming van de beslagvrije voet. Dit kan ertoe leiden dat een bepaalde uitkering van een voorliggende voorziening ten opzichte van de Wwb feitelijk niet tot uitbetaling komt, doordat de recidive-boete wordt verrekend met de volledige uitkering. In dat geval kan de belang-hebbende, die feitelijk geen middelen heeft, een beroep doen op algemene bijstand. Het verlies van de voorliggende voorziening is in dat geval tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, waardoor er sprake is van maatregelwaardig gedrag. Dit artikellid komt er in feite op neer dat de belanghebbende in een identieke situatie terechtkomt als de recidiverende bijstandsgerechtigde. Dat houdt in dat gedurende drie maanden ook geen algemene bijstand wordt uitbetaald. Nadrukkelijk is voor de ingangsdatum van de maatregel niet gekozen voor de effectuering van de verrekening, maar de ingangsdatum van de algemene bijstand. Een voorbeeld moge dit verduidelijken. Als een WW-uitkering feitelijk niet tot uitbetaling komt wegens verrekening van een recidiveboete, en de verrekening is gestart op 1 maart 2015, maar de belanghebbende pas op 1 juni 2015 een aanvraag indient om algemene bijstand, zou de maatregel niet kunnen worden geëffectueerd als die zou ingaan op het moment van de verrekening, dat is in het voorbeeld 1 maart 2015, want toen had de belanghebbende helemaal geen recht op bijstand. Daarom is bewust gekozen om de maatregel te doen ingaan op de ingangsdatum van de algemene bijstand, die wel wordt toegekend maar feitelijk gezien drie maanden niet tot uitbetaling komt. Een maatregel laat onverlet de mogelijkheid van toekenning van bijstand in de vorm van een lening onder toepassing van artikel 48 lid 2 onder b van de wet (noodzaak tot bijstands-verlening is het gevolg van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan). Het gevolg van bijstandsverlening in de vorm van een lening is echter de op voorhand vastgestelde terugbetaling ervan. Als het college besluit beide instrumenten te gebruiken (leenbijstand en maatregel) moet het wel voldoende acht slaan op het totale effect hiervan voor de bijstandsgerechtigde. CRvB 20-03-2007, nrs. 06/515 NABW e.a., ECLI:NL:CRVB:2007:BA2344.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel