Naar hoofdinhoud
VERORDENING INDIVIDUELE INKOMENSTOESLAG 2015 GEMEENTE AMELAND 2015 Artikel 1.  Begrippen In deze verordening wordt verstaan onder: a. inkomen: totaal van het inkomen, bedoeld in artikel 32 van de wet, en de algemene bijstand; b. college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ameland; c. peildatum: de datum waartegen een persoon individuele inkomenstoeslag aanvraagt; d. referteperiode: periode van 36 maanden voorafgaand aan de peildatum; e. wet: de Participatiewet. Toelichting: Begrippen die al zijn omschreven in de Participatiewet, de Algemene wet bestuursrecht of de Gemeentewet worden niet afzonderlijk in deze verordening gedefinieerd. Deze zijn vanzelfsprekend van toepassing op deze verordening. Met inkomen wordt bedoeld het inkomen zoals bedoeld in artikel 32 van de Participatiewet. In afwijking hiervan wordt ook de algemene bijstandsuitkering ook in aanmerking genomen als inkomen. Bijzondere bijstand (waaronder de individuele inkomenstoeslag en de individuele studietoeslag) kan niet als inkomen in aanmerking genomen worden. Artikel 44 van de wet is van overeenkomstige toepassing. Dat betekent dat een peildatum gelijk is aan de aanvraagdatum. De hoofdregel inzake de ingangsdatum van [de langdurigheids]toeslag sluit aan bij die voor de overige vormen van (algemene en bijzondere) bijstand. Gemeenten hebben - volgens vaste rechtspraak - de bevoegdheid om van de genoemde hoofdregel af te wijken wanneer de individuele omstandigheden van de belanghebbende dat rechtvaardigen. (Verzamelbrief december 2013). Artikel 2.  Indienen verzoek Een verzoek als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet wordt ingediend middels een door het college vastgesteld formulier. Toelichting: Artikel 36, eerste lid van de wet spreekt niet meer van een aanvraag, maar van een verzoek. Deze term komt in het bestuursrecht niet voor. Om onduidelijkheid te voorkomen bepaalt artikel 2 van deze verordening dat het verzoek door middel van een door het college vastgesteld formulier gedaan moet worden. Het verzoek wordt dan overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht gezien als een schriftelijke aanvraag die door de aanvrager wordt ondertekend en ten minste naam en adres van de aanvrager bevat, alsmede de dagtekening en de beslissing die gevraagd wordt. Hierbij verstrekt de aanvrager ook de gegevens die het college nodig heeft om een beslissing te nemen (artikel 4.2 Algemene wet bestuursrecht). Een mondeling verzoek is dus niet mogelijk. Op grond van artikel 44 van de wet wordt de bijstand toegekend vanaf de dag waarop het recht is ontstaan voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Dit geldt ook voor de individuele inkomenstoeslag. De peildatum kan daarom niet voor de aanvraagdatum liggen. Een te vroeg ingediende aanvraag (binnen twaalf maanden na de laatst verleende individuele inkomenstoeslag) moet op grond van het derde lid van artikel 36 worden afgewezen. Artikel 3.  Langdurig laag inkomen 1. Een persoon heeft een langdurig laag inkomen als bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet als gedurende de referteperiode het in aanmerking te nemen inkomen niet hoger is dan 100% van de toepasselijke bijstandsnorm. 2. In afwijking van het eerste lid bestaat recht op een gedeeltelijke individuele inkomenstoeslag wanneer het inkomen op de peildatum hoger is dan 100% van de bijstandsnorm, maar het meerdere op jaarbasis niet meer bedraagt dan van toepassing zijnde individuele inkomenstoeslag die op grond van artikel 4 van deze verordening op hem van toepassing zou zijn. Toelichting: In dit artikel wordt uitvoering gegeven aan de opdracht bij verordening regels te stellen met betrekking tot de invulling van de begrippen langdurig en laag inkomen. De langdurige periode wordt aangeduid als referteperiode. De referteperiode is in artikel 1 van deze verordening vastgesteld op 36 maanden voorafgaand aan de peildatum. Een inkomen is laag als het niet hoger is dan 100% van de op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm. De bijstandsnorm is op grond van artikel 5, onderdeel c van de wet de op de belanghebbende van toepassing zijnde (kostendelers?)norm. De vraag of het inkomen van een persoon gedurende de referteperiode niet hoger is dan deze norm mag niet al te rigide worden toegepast. Een marginale overschrijding moet worden genegeerd (o.a. LJN BE8918 en BP5532). Bij een inkomen dat meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, maar het meerdere op jaarbasis minder is dan de toepasselijke individuele inkomenstoeslag, wordt de individuele inkomenstoeslag op grond van artikel 4, tweede lid van deze verordening verminderd met dat meerinkomen op jaarbasis. Hierdoor kan iemand ook bij een inkomen dat hoger is dan de bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. De gevolgen van de armoedeval worden hierdoor beperkt. Artikel 4.  Hoogte van de individuele inkomenstoeslag 1. De individuele inkomenstoeslag bedraagt per kalenderjaar: a. Voor een alleenstaande 45% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet; b. Voor een alleenstaande ouder 45% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel a van de wet, vermeerderd met een bedrag dat gelijk is aan 20% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet]; c. Voor gehuwden 45% van het normbedrag bedoeld in artikel 21, onderdeel b van de wet. 2. In afwijking van het eerste lid wordt de individuele inkomenstoeslag voor de belanghebbende als bedoeld in artikel 3, tweede lid, verminderd met het verschil op jaarbasis tussen het inkomen op de peildatum en 100% van de bijstandsnorm. 3. Als één van de gehuwden is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag ingevolge de artikelen 11 of 13, eerste lid van de wet komt de rechthebbende echtgenoot in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. 4. Voor de toepassing van het eerste, tweede en derde lid is de situatie op de peildatum bepalend. 5. De individuele inkomenstoeslag is een vast percentage van het normbedrag zoals die geldt op 1 januari van het kalenderjaar waarin de peildatum valt. De bedragen worden op de hele euro naar boven afgerond. Toelichting: Bij de hoogte van de individuele inkomenstoeslag wordt onderscheid gemaakt tussen een alleenstaande, alleenstaande ouder en gehuwden. De individuele inkomenstoeslag is een percentage van het normbedrag zoals dat op 1 januari van het kalenderjaar van toepassing is. Er is gekozen voor een percentage van de in de wet genoemde normbedrag, en niet van de toepasselijke bijstandsnorm omdat deze laatste door toepassing van de kostendelersnorm lager kan uitvallen. Omdat de basisbijstandsnormen voor alleenstaanden en alleenstaande ouders gelijk zijn wordt voor de berekening van de hoogte van de individuele inkomenstoeslag het in de wet genoemde normbedrag verhoogd met 20% van de basisbijstandsnorm voor gehuwden. Op deze wijze wordt in de hoogte van de individuele inkomenstoeslag rekening gehouden met de zorg voor kinderen. In het tweede lid van artikel 3 van deze verordening is bepaald dat recht bestaat op een gedeeltelijke individuele inkomenstoeslag als het inkomen op de peildatum meer bedraagt dan 100% van de bijstandsnorm, maar het meerdere op jaarbasis niet meer bedraagt dan de toepasselijke individuele inkomenstoeslag. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de hoogte van de individuele inkomenstoeslag in dat geval wordt verminderd met het bedrag van het meerinkomen op jaarbasis. Op deze manier kunnen belanghebbenden met een inkomen tot ruim van de bijstandsnorm in aanmerking komen voor een individuele inkomenstoeslag. Bijvoorbeeld: 100% bijstandsnorm gehuwden op jaarbasis is €16.254. Netto jaarinkomen is €16.500. IIT wordt dan 434 – (16500-16254) = 434 – 246 = 188. Bij gehuwden geldt dat het recht op individuele inkomenstoeslag de gehuwden gezamenlijk toekomt. Zij moeten in de referteperiode beiden aan de voorwaarden van artikel 36, eerste lid van de wet voldoen. Als één van de echtgenoten, anders dan vanwege het niet voldoen aan de voorwaarden van artikel 36 van de wet, is uitgesloten van het recht op individuele inkomenstoeslag, dan komt de rechthebbende partner in aanmerking voor een individuele inkomenstoeslag naar de hoogte die voor hem als alleenstaande of alleenstaande ouder zou gelden. Artikel 5. Nadere regels Het college stelt nadere regels vast met betrekking tot de uitvoering van deze verordening. Deze regels bedoeld in het eerste lid hebben in ieder geval betrekking op de invulling van het begrip ‘geen uitzicht op inkomensverbetering’ zoals bedoeld in artikel 36, eerste lid van de wet. Toelichting: De invulling van de term langdurig laag inkomen en de hoogte van de individuele inkomenstoeslag zijn in deze verordening geregeld. Het college kan, gelet op de omstandigheden van de belanghebbende, een individuele inkomenstoeslag verlenen aan de persoon met een langdurig laag inkomen die geen uitzicht heeft op inkomensverbetering. Tot de omstandigheden worden in ieder geval gerekend de krachten en bekwaamheden van de persoon, en de inspanningen die de persoon heeft verricht om tot inkomensverbetering te komen. Om tot een eenduidige uitvoering te komen stelt het college nadere regels met betrekking tot de uitvoerig van deze verordening en de beoordelingen die het college moet doen om op een verzoek voor een individuele inkomenstoeslag te besluiten. Artikel 6.  Hardheidsclausule Het college kan in bijzondere gevallen afwijken van de bepalingen van deze verordening indien onverkorte toepassing zou leiden tot onredelijkheid of onbillijkheid. Artikel 7.  Inwerkingtreding 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015. 2. De verordening Langdurigheidstoeslag Ameland wordt op 1 januari 2015 ingetrokken. Artikel 8.  Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Verordening individuele inkomenstoeslag Ameland 2015.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel