Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 11

Verrekenen verlaging

Onderdeel van Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015

Het college heeft de mogelijkheid bij verlaging van de bijstand wegens schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting, de verlaging te verrekenen. Dit over de maand van oplegging van de maatregel en ten hoogste over de twee volgende maanden. Over de eerste maand moet minimaal een derde van het bedrag van de verlaging worden verrekend (artikel 18, vijfde lid, tweede volzin, van de Participatiewet). Wanneer belanghebbende tot inkeer komt, kan het college de verlaging stopzetten zodat belanghebbende weer de volledige uitkering ontvangt (artikel 18, elfde lid, van de Participatiewet). Het gaat hier om een facultatieve bepaling. Verrekenen bij bijzondere omstandigheden Er is voor gekozen gebruik te maken van de mogelijkheid tot het verrekenen van het bedrag van de verlaging bij een eerste schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting (of een herhaalde schending buiten de recidivetermijn) als bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen. Hierbij kan worden gedacht aan: vergroting schuldenproblematiek; (dreigende) huisuitzetting; afsluiting van gas en elektriciteit. De maand van oplegging In artikel 11 lid wordt gesproken over de "maand van oplegging". Deze term is overgenomen uit artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet. Met de "maand van oplegging" wordt in deze verordening bedoeld: de maand waarin de bijstand feitelijk wordt verlaagd (dus de maatregel geëffectueerd wordt). Toedeling over drie maanden bij de zwaarste overtredingen Is sprake van de zwaarste overtreding van de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, dus een overtreding waarbij een verlaging van 100% van de bijstandsnorm gedurende twee maanden wordt opgelegd, (zie ook de toelichting bij artikel 10), dan kan –als sprake is van bijzondere omstandigheden- het totaal van de verlaging worden verrekend over drie maanden. Aan de maand van oplegging en aan de twee daaropvolgende maanden wordt dan dus een derde van het bedrag van de totale verlaging (dus 200%) toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maanden de inhouding in beginsel 66,67 procent bedraagt (artikel 11, eerste lid, van deze verordening). Toedeling over twee maanden bij overige overtredingen Bij alle andere overtredingen van een geüniformeerde arbeidsverplichting, kan –bij bijzondere omstandigheden- worden verrekend over twee maanden. Bij deze overtredingen wordt de bijstand verlaagd met honderd procent gedurende één maand. Aan de maand van oplegging en aan de daaropvolgende maand kan de helft van het bedrag van de verlaging worden toebedeeld. Dit betekent dat in de maand van oplegging van de maatregel en de daaropvolgende maand de inhouding in beginsel vijftig procent bedraagt (artikel 11, tweede lid, van deze verordening). Geen verrekening bij recidive Is sprake van een tweede of volgende schending van een geüniformeerde arbeidsverplichting binnen de recidivetermijn, dan is verrekenen van de maatregel niet mogelijk. Artikel 11 bepaalt immers dat verrekenen uitsluitend mogelijk is bij een gedraging zoals bedoeld in artikel 10 van deze verordening én als sprake is van bijzondere omstandigheden. Recidive is niet geregeld in artikel 10, maar in artikel 16, tweede lid, van deze verordening en artikel 18, zesde, zevende en achtste lid, van de Participatiewet. Daarom is verrekenen bij recidive niet mogelijk. Geen verrekening bij maatregel wegens schending andere gedragingen Verrekening bij maatregelen voor schendingen van andere gedragingen dan de geüniformeerde arbeidsverplichtingen, is niet mogelijk. Dit volgt uit artikel 11 van deze verordening en artikel 18, vijfde lid, van de Participatiewet.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel