De grondslag voor het sanctioneren van verwijtbare gedragingen is in de IOAW en de IOAZ iets anders geregeld dan in de Participatiewet. Bij bepaalde gedragingen, vergelijkbaar met een aantal gedragingen die nu in de Participatiewet bij de geüniformeerde verplichtingen in artikel 18, vierde lid, zijn opgenomen (zoals het verwijtbaar niet behouden of niet aanvaarden van algemeen geaccepteerde arbeid), kan het college op grond van artikel 20 van de IOAW of de IOAZ de uitkering blijvend of tijdelijk weigeren. Over die gedragingen gaat artikel 17 van deze verordening. Voor andere gedragingen dient het college een verlaging toe te passen overeenkomstig deze verordening. Dat betreft de gedragingen genoemd in artikel 8.
De artikelen 8 en 9 moeten in onderlinge samenhang worden gelezen. In artikel 8 worden schendingen van verplichtingen uit de IOAW en IOAZ geformuleerd. De verwijtbare gedragingen die zijn genoemd in artikel 8, zijn ondergebracht in categorieën. Aan die categorieën wordt in artikel 9 een gewicht toegekend in de vorm van een verlagingspercentage. De categorieën zijn gerangschikt naar toenemende zwaarte. Een gedraging wordt ernstiger geacht naarmate de gedraging meer concrete gevolgen heeft voor het niet aanvaarden, verkrijgen of behouden van betaalde arbeid.
Zie een omschrijving van de gedragingen de toelichting bij artikel 7.
Hoofdstuk
Artikel 8
Gedragingen IOAW en IOAZ
Onderdeel van Afstemmingsverordening gemeente Arnhem 2015