Naar hoofdinhoud
1.. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, in die zin dat het vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van die wet onverantwoord is besteed, wordt een verlaging opgelegd van 20% van de bijstandsnorm gedurende de periode dat, als gevolg van deze gedraging tot een hoger bedrag, eerder of langer een beroep op de bijstand wordt gedaan met een maximum van 12 maanden. 2.. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, in die zin dat geen of geen tijdige aanvraag wordt gedaan van een voorliggende voorziening als bedoeld in artikel 15 van de Participatiewet die voorliggend is voor wat betreft de algemene bijstand, wordt een verlaging opgelegd van 100% gedurende een maand. 3.. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, in die zin dat voorafgaand aan de melding voor bijstand algemeen geaccepteerde arbeid niet wordt behouden, wordt een verlaging opgelegd van 100% gedurende twee maanden. 4.. Als een belanghebbende een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet, in die zin dat geen beroep meer kan worden gedaan op een voorliggende voorziening, omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete voor het bij herhaling schenden van de inlichtingenplicht wordt een verlaging opgelegd van 100% gedurende de eerste drie maanden gerekend vanaf de start van de verrekening. 5.. In afwijking van het vierde lid wordt de verlaging in de derde maand, gerekend vanaf de start van de verrekening, gematigd tot 20% indien belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden ter hoogte van ten minste drie maal de toepasselijke bijstandsnorm, maar redelijkerwijs wel kan beschikken over gelden ter hoogte van twee maal de toepasselijke bijstandsnorm. 6.. In afwijking van het vierde lid wordt de verlaging in de tweede en derde maand, gerekend vanaf de start van de verrekening, gematigd tot 20% indien belanghebbende redelijkerwijs niet kan beschikken over gelden ter hoogte van ten minste twee maal de toepasselijke bijstandsnorm. 7.. In afwijking van het eerste tot en met het vierde lid wordt de bijzondere bijstand die is verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet in zijn geheel verlaagd indien het beroep op bijzondere bijstand het gevolg is van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid.'

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel