**1..** Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt, wordt een verlaging opgelegd. De verlaging wordt vastgesteld op:
20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling;
20 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van bijstand;
40 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot vermindering van de bijstand;
100 % van de bijstandsnorm gedurende één maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die strekken tot beëindiging van de bijstand.
**2..** Als een belanghebbende geen medewerking verleent aan het stellen van zekerheid als bedoeld in artikel 48, derde lid, van de Participatiewet, wordt de bijstand geweigerd.
**3..** In afwijking van het eerste lid wordt de bijzondere bijstand die is verleend op grond van artikel 35 van de Participatiewet in zijn geheel verlaagd indien een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet, niet of onvoldoende nakomt, met dien verstande dat voor bijzondere bijstand die periodiek wordt verstrekt de verlaging gedurende een maand op de periodieke verstrekking wordt toegepast.'
Hoofdstuk 4.
Artikel 14