Naar hoofdinhoud
De Nationale Ombudsman heeft recentelijk een aantal aanbevelingen gedaan in het kader van zijn onderzoek naar de Fraudewet. Deze aanbevelingen zijn onder andere: Ga coulant om met overtredingen van de inlichtingenplicht als plausibel is dat een andere oorzaak dan het willen frauderen ten grondslag ligt aan het overtreden van de inlichtingenplicht. Geef uitkeringsgerechtigden hierbij het voordeel van de twijfel. Zadel hen niet op met een onmogelijke bewijslast. Bij deze coulante houding hoort ook dat deze mensen een lagere boete opgelegd krijgen. Bepaal dat in deze situatie een boete van ten hoogste 10% van het benadelingsbedrag mag worden opgelegd. Dit is in elk geval zo als de oorzaak van de regelovertreding (mede) gelegen is in: a. de complexiteit van de overheid, b. het niet aankomen van informatie, c. het (nog) niet beschikbaar zijn van informatie, d. het subjectief onvermogen: vergissen, vergeten, misverstand, niet weten. Bij vergissingen en geringe termijnoverschrijdingen is een waarschuwing passend. Zolang deze mogelijkheid er wettelijk niet is, zou ook in deze gevallen volstaan moeten worden met een boete van ten hoogste 10% van het benadelingsbedrag. Door het invoeren van een extra artikel 4a worden deze aanbevelingen van de Nationale Ombudsman overgenomen in de gemeentelijke verordening. Hierbij wordt gebruik gemaakt van de bevoegdheid van het college om de bestuurlijke boete te verlagen bij verminderde verwijtbaarheid. Dit artikel 4a vult het begrip .verminderde verwijtbaarheid. nader in en stelt een bovengrens aan de bestuurlijke boete in een aantal specifieke gevallen, zoals door de Ombudsman benoemd.

Rechtspraak bij dit artikel