In deze verordening wordt verstaan onder:
bebouwde kom: de bebouwde kom van de
gemeente, vastgesteld ingevolge artikel 1, vijfde lid, van de
Boswet.
beschermde houtopstand: bijzondere
beschermwaardige houtopstand met een bijzondere leeftijd,
schoonheid- of zeldzaamheidswaarde of een bijzondere functie
voor de omgeving die daarom is opgenomen in de lijst als bedoeld
in artikel 11 van deze verordening (thans bekend als: “overzicht
waardevolle particuliere bomen”).
bevoegd gezag: bevoegd gezag als bedoeld in
artikel 1.1, eerste lid, van de Wet algemene bepalingen
omgevingsrecht.
bomen effect analyse: een standaard
beoordeling van de gevolgen van voorgenomen bouw of aanleg voor
houtopstand, op basis van landelijke richtlijnen van de
Bomenstichting.
boom: een levend houtachtig, opgaand gewas
met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 10 centimeter op
1,3 meter hoogte boven het maaiveld. In geval van
meerstammigheid geldt de dwarsdoorsnede van de dikste stam. Deze
definitie is niet van toepassing op artikel 12 van deze
verordening.
boomstructuur: lijnvormige beplanting van
houtopstanden dat een functioneel geheel vormt.
boomvlakken: begrensd gebied met
houtopstanden die samen een functioneel geheel vormen.
boomwaarde: de waarde van een boom,
uitgedrukt in geld, zoals getaxeerd volgens de meest recente
richtlijnen van de NVTB (Nederlandse Vereniging van Taxateurs
van Bomen).
bouwwerk: elke constructie van enige omvang
van hout, steen, metaal of ander materiaal die op plaats van
bestemming hetzij direct hetzij indirect met de grond verbonden
is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond,
bedoeld om ter plaatse te functioneren.
dunning: een selectieve velling die dient als
onderhoudsmaatregel ter bevordering van de overblijvende
houtopstand en/of onderbeplanting waarbij het natuurlijk verloop
van het desbetreffende milieu in stand blijft.
gebouw: elk bouwwerk dat een voor mensen
toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden
omsloten ruimte vormt.
houtopstand: één of meer bomen of
boomvormers, of andere houtachtige gewassen, mogelijk onderdeel
uitmakend van hakhout, een houtwal, een grotere (lint)begroeiing
van heesters en struiken, een beplanting van bosplantsoen, een
struweel of een heg.
kandelaberen: het tot op de hoofdtakken
korten van een houtopstand.
knotten: het regelmatig terugsnoeien van
bomen en struiken tot een vast punt boven de grond.
monument: een door de
gemeente, provincie of het Rijk als zodanig aangewezen
onroerende zaak ten aanzien waarvan een beperkingenbesluit, als
bedoeld in artikel 1 aanhef en onder b onder 2° tot en met 5°
Wet kenbaarheid publiekrechtelijke beperkingen onroerende zaken
in de openbare registers, is opgenomen.
noodkap: het direct
vellen van een houtopstand in verband met een spoedeisend belang voor de
openbare orde en/of direct gevaar voor persoon, dier en/of goed.
perceel: een stuk grond waarvoor één
rechtsorde geldt en gezien de feitelijke situatie ter plaatse
hoort bij de opstal.
vellen: rooien; kappen; verplanten; het voor
meer dan 20% snoeien van de kroon of verwijderen van het
wortelgestel, met inbegrip van kandelaberen; het verrichten van
handelingen, zowel boven- als ondergronds, die de dood, ernstige
beschadiging of ernstige ontsiering van de houtopstand ten
gevolge kunnen hebben.