In deze verordening wordt verstaan onder:
algemene bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 5, onderdeel b, van de wet;
bijstand: algemene bijstand en bijzondere bijstand bedoeld in artikel 35 van de wet;
bijstandsnorm: de bijstandsnorm bedoeld in artikel 5, onderdeel c, van de wet;
bijzondere bijstand: de bijstand bedoeld in artikel 35 van de wet;
college: het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel;
netto bijstand: de bijstand zonder de verhoging op grond van artikel 19, vierde lid, of artikel 35, vijfde lid, van de wet;
verlaging: het verlagen van de bijstand op grond van artikel 18, tweede en vierde lid, of artikel 9a, twaalfde lid, van de wet;
wet: Participatiewet.
De begripsbepalingen van de wet zijn op deze verordening van toepassing, tenzij daarvan uitdrukkelijk wordt afgeweken.
Artikel 2. Verlaging van de bijstand
Als de belanghebbende de uit de wet voortvloeiende verplichtingen niet nakomt dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van het college tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan, wordt overeenkomstig deze verordening een verlaging opgelegd.
Bij het opleggen van een verlaging als bedoeld in het eerste lid, wordt deze verordening in acht genomen, met dien verstande dat een verlaging voor wat betreft de hoogte en de duur te allen tijde wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging kan worden verweten en de omstandigheden waarin hij verkeert.
Artikel 3. Berekeningsgrondslag
De verlaging wordt toegepast op de bijstandsnorm.
In afwijking van het eerste lid wordt de verlaging (ook) toegepast op de bijzondere bijstand, indien:
aan de belanghebbende bijzondere bijstand wordt verleend met toepassing van artikel 12 van de wet; of
een verlaging aan de orde is volgens artikel 15, tweede lid.
Artikel 4. Het besluit tot het opleggen van een verlaging
In het besluit tot het opleggen van een verlaging worden in ieder geval vermeld: de reden van de verlaging, de duur van de verlaging, het percentage of het bedrag waarmee de bijstand wordt verlaagd, en, indien van toepassing, de reden om af te wijken van een standaardverlaging.
Artikel 5. Horen van de belanghebbende
Voordat een verlaging wordt opgelegd, wordt de belanghebbende in de gelegenheid gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen.
Het horen van de belanghebbende kan achterwege worden gelaten indien:
de vereiste spoed zich daartegen verzet;
de belanghebbende reeds eerder in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen en zich sindsdien geen nieuwe feiten of omstandigheden hebben voorgedaan;
het horen van de belanghebbende redelijkerwijs niet noodzakelijk is voor het vaststellen van de ernst van de gedraging, van de mate van verwijtbaarheid en van de persoonlijke omstandigheden van de belanghebbende;
belanghebbende aangeeft hiervan geen gebruik te willen maken.
Artikel 6. Afzien van het opleggen van een verlaging
Het college legt geen verlaging op, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Het college legt geen verlaging op, indien de gedraging meer dan drie jaar vóór constatering van die gedraging heeft plaatsgevonden.
Het college kan afzien van het opleggen van een verlaging, indien het daarvoor dringende
redenen aanwezig acht. Indien het college afziet van het opleggen van een verlaging op grond van dringende redenen, wordt de belanghebbende daarvan schriftelijk mededeling gedaan.
Artikel 7. Ingangsdatum en tijdsvak
In geval van een lopende uitkering wordt de verlaging opgelegd met ingang van de eerste dag van de kalendermaand volgend op de datum waarop het besluit tot het opleggen van de verlaging aan de belanghebbende is bekendgemaakt. Daarbij wordt uitgegaan van de voor die maand voor de belanghebbende geldende bijstandsnorm.
Indien, als gevolg van het beëindigen van het recht op bijstand, er geen besluit tot verlaging meer kan worden genomen, kan, als aan de belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw een bijstandsuitkering wordt toegekend, dit besluit alsnog genomen worden.
Als het recht op bijstand eindigt, wordt, voor zover het tijdvak waarover de verlaging is opgelegd nog niet is verstreken, het resterende deel van de verlaging ten uitvoer gelegd als de
belanghebbende binnen drie jaar na de beëindiging opnieuw aanspraak op bijstand maakt.
Een verlaging wordt voor bepaalde tijd opgelegd. Een verlaging die voor een periode van meer dan drie maanden wordt opgelegd, wordt, overeenkomstig artikel 18, derde lid, van de wet, uiterlijk binnen drie maanden nadat deze ten uitvoer is gelegd heroverwogen.
Artikel 8. Eéndaadse en meerdaadse samenloop
Indien een belanghebbende door één gedraging zich schuldig maakt aan schending van meerdere verplichtingen die elk op zich tot een verlaging op grond van deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet, dienen te leiden, wordt voor het bepalen van de hoogte en de duur van de op te leggen verlaging uitgegaan van de gedraging waarop de zwaarste verlaging is gesteld.
Indien een belanghebbende zich tegelijkertijd schuldig maakt aan verschillende gedragingen die elk op zich tot het opleggen van een verlaging op grond van deze verordening of artikel 18, vierde lid, van de wet, dienen te leiden, wordt de hoogte en de duur van de op te leggen verlaging bepaald met inachtneming van artikel 2, tweede lid, artikel 7, vierde lid alsmede artikel 18, vijfde tot en met achtste lid, van de wet.
Hoofdstuk 1
Artikel 1
Begripsbepalingen
Onderdeel van AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET CAPELLE AAN DEN IJSSEL 2015