Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 4

Artikel 13

- Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de zelfstandige voorzieningin het bestaan in de periode voorafgaande aan de aanvraag om bijstand

Onderdeel van AFSTEMMINGSVERORDENING PARTICIPATIEWET CAPELLE AAN DEN IJSSEL 2015

Indien een belanghebbende in de periode van maximaal één jaar voorafgaande aan de aanvraagom bijstand tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaanheeft betoond als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de wet, wordt bij de volgendegedragingen een verlaging van 100 procent van de bijstandsnorm gedurende één maandopgelegd: het door eigen schuld of toedoen geen algemeen geaccepteerde arbeid dan wel geenwerk als zelfstandige behouden; het door eigen schuld of toedoen geen recht (meer) hebben op een voorliggendevoorziening voor de algemene bijstand; het door eigen schuld of toedoen inkomsten hebben verloren; het niet dan wel in onvoldoende mate naar vermogen verkrijgen van algemeengeaccepteerde arbeid. Indien een belanghebbende voorafgaande aan de aanvraag om bijstand een tekortschietendbesef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond, als bedoeld inartikel 18, tweede lid, van de wet, wordt bij de volgende gedraging de op te leggen verlagingafgestemd op de hoogte van het benadelingsbedrag, gerelateerd aan de netto-bijstand: het onverantwoord besteden van vermogen zoals bedoeld in artikel 34 van de wet. De verlaging als bedoeld in het tweede lid wordt op de volgende wijze vastgesteld: bij een benadelingsbedrag tot € 2.000,-: 25 procent van de bijstandsnorm gedurende éénmaand; bij een benadelingsbedrag van € 2.000,- tot € 4.000,-: 50 procent van de bijstandsnormgedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 10.000,-: 100 procent van debijstandsnorm gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 10.000,- tot 20.000,-: 100 procent van de bijstandsnormgedurende twee maanden; bij een benadelingsbedrag van € 20.000,- of meer: 20 procent van de bijstandsnormgedurende het aantal maanden dat de belanghebbende met het vermogen in zijnbestaan zou hebben kunnen voorzien, met een maximum van 24 maanden. Indien een belanghebbende voorafgaande aan de aanvraag om bijstand tekortschietend besefvan verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond als bedoeld in artikel18, tweede lid van de wet, anders dan in het eerste lid, onderdeel b. bedoeld, waardoor geenberoep meer gedaan kan worden op een passende en toereikende voorliggende voorziening,omdat deze volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete in het kader van recidive vanschending van de inlichtingenplicht, wordt een verlaging van 100 procent van de bijstandsnormgedurende maximaal drie maanden opgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel