1. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven van degene
die het motorvoertuig heeft geparkeerd.
2. Als degene die het motorvoertuig heeft geparkeerd wordt mede
aangemerkt:
a. degene die de belasting voldoet, dan wel te kennen geeft of heeft gegeven
de belasting te willen voldoen;
b. zolang geen voldoening van de belasting genoemd in artikel 2, onderdeel
a, heeft plaatsgevonden: de houder van het motorvoertuig,
3. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven van
degene die op de voet van het tweede lid, onderdeel b, als degene die het
voertuig heeft geparkeerd wordt aangemerkt, indien deze aannemelijk maakt
dat ten tijde van het parkeren een ander tegen zijn wil van het voertuig
heeft gebruikgemaakt en dat hij dit gebruik redelijkerwijs niet heeft kunnen
voorkomen.
4. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt niet geheven bij
het gebruik van een gehandicaptenparkeerkaart op algemene
gehandicaptenparkeerplaatsen.
5. De belasting bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven van degene
die de vergunning heeft aangevraagd.