1. De belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel a, wordt geheven bij
wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald bij de aanvang van
het parkeren. In afwijking op het hierboven bepaalde moet de belasting
overeenkomstig de aangifte worden betaald binnen één maand na het einde van
het parkeren, indien het bij de aanvang van het parkeren het in werking
stellen van de parkeerapparatuur geschiedt door het inloggen op het centrale
register.
2. De belasting, als bedoeld in artikel 2, onderdeel b, wordt geheven bij
wege van voldoening op aangifte en moet worden betaald op het tijdstip
waarop de vergunning wordt verleend.
3. Een naheffingsaanslag moet worden betaald binnen de termijn die op de
opgestuurde beschikking en acceptgiro vermeld is.
Artikel 6
De wijze van heffing en termijnen van betaling
Onderdeel van Verordening op de heffing en de invordering van parkeerbelastingen 2015