**1..** Onverminderd artikel 2.3.7 van de wet doet een cliënt aan wie krachtens deze verordening een voorziening is verstrekt of diens wettelijk vertegenwoordiger, aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden, waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat deze van invloed kunnen zijn op het recht op een voorziening.
**2..** Onverminderd artikel 2.3.9 van de wet kan het college een besluit genomen op grond van deze verordening herzien dan wel intrekken indien het college vaststelt dat:
niet of niet meer is of wordt voldaan aan de voorwaarden gesteld bij of krachtens deze verordening;
de cliënt onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een ander besluit zou hebben geleid;
de cliënt niet langer op de maatwerkvoorziening of het daarmee samenhangende pgb is aangewezen;
de maatwerkvoorziening of het pgb niet meer toereikend is te achten, of
de cliënt de maatwerkvoorziening of het pgb niet of voor een ander doel gebruikt.
**3..** Indien een besluit tot verlening van een voorziening is ingetrokken, kan op grond van artikel 2.4.1 van de wet een reeds uitbetaald pgb worden teruggevorderd.
**4..** Ingeval het recht op een in eigendom verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggevorderd.
**5..** Ingeval het recht op een in bruikleen verstrekte voorziening is ingetrokken, kan deze voorziening worden teruggehaald.
**6..** De eigenaar-bewoner, die krachtens deze verordening een woonvoorziening heeft ontvangen bestaande uit een aanbouw, is gehouden om bij verkoop van deze woning binnen een periode van 10 jaar na gereedmelding van de voorziening, de resterende waarde aan de gemeente terug te betalen.
**7..** De restitutie bedraagt:
gedurende het eerste jaar na gereedmelding 100% van de waarde van de voorziening;
gedurende het tweede jaar na gereedmelding 90% van de waarde van de voorziening;
gedurende het derde jaar na gereedmelding 80% van de waarde van de voorziening;
gedurende het vierde jaar na gereedmelding 70% van de waarde van de voorziening;
gedurende het vijfde jaar na gereedmelding 60% van de waarde van de voorziening;
gedurende het zesde jaar na gereedmelding 50% van de waarde van de voorziening;
gedurende het zevende jaar na gereedmelding 40% van de waarde van de voorziening;
gedurende het achtste jaar na gereedmelding 30% van de waarde van de voorziening;
gedurende het negende jaar na gereedmelding 20% van de waarde van de voorziening;
gedurende het tiende jaar na gereedmelding 10% van de waarde van de voorziening.
HOOFDSTUK 3.
Artikel 11.
Bestrijding misbruik en oneigenlijk gebruik maatwerkvoorziening of pgb
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning 2015