1 Het bouwen en het verrichten van alles wat daarmee in verband staat,
moet geschieden op veilige wijze, onder meer zodanig dat de nodige
veiligheidsmaatregelen zijn genomen ten behoeve van de weg en de in de
weg gelegen werken en de weggebruikers en ten behoeve van naburige
bouwwerken, open erven en terreinen en hun gebruikers.
2 Op een terrein, waarop een bouw- of grondwerk wordt uitgevoerd moeten,
wanneer er niet wordt gewerkt – rustpauzen tijdens de dagelijkse
werktijd niet inbegrepen:
a de tijdelijke elektrische installaties ten behoeve van de uitvoering
van het bouw- en grondwerk, in hun geheel op zodanige wijze zijn
uitgeschakeld, dat het weer in gebruik stellen van de installaties door
anderen dan daartoe bevoegde personen niet zonder meer mogelijk is;
b machines en werktuigen worden achtergelaten in een zodanige toestand,
dat deze dan wel mechanismen daarvan, niet zonder meer door anderen dan
de daartoe bevoegde personen in werking kunnen worden gesteld;
3 Het tweede lid is niet van toepassing op de voeding van een
elektrische verlichtingsinstallatie of van één of meer elektrisch
aangedreven bemalingpompen, indien de omstandigheden vereisen dat de
voeding niet wordt onderbroken en de veiligheid voldoende is
gewaarborgd.
4 Het is verboden stempels, schoren, kruisen of zwiepingen weg te nemen
of andere veiligheidsmaatregelen op te heffen zolang zij uit
veiligheidsoogpunt nodig zijn.
Hoofdstuk
Artikel 4.8
Veiligheid op het bouwterrein
Onderdeel van nr 07.01 Bouwverordening Zevenaar 2007 (inhoudsopgave en tekst verordening)