In geval van een verminderde verwijtbaarheid van het betreffende gedrag van de belanghebbende kan de bestuurlijke boete verlaagd worden.
Bij de beoordeling van de mate waarin de gedraging aan de belanghebbende kan worden verweten, leiden, zoals merendeels ook opgenomen in artikel 2a lid 2 van het Boetebesluit sociale zekerheidswetten, de volgende criteria tot verminderde verwijtbaarheid, als bedoeld in artikel 18a lid 7 onder a WWB:
de belanghebbende verkeerde in onvoorziene en ongewenste omstandigheden, die niet tot het normale levenspatroon behoren en die hem /haar weliswaar niet in de feitelijke onmogelijkheid brachten om aan de inlichtingenverplichting te voldoen, maar die emotioneel zo ontwrichtend waren dat hem/haar niet volledig valt toe te rekenen dat de inlichtingen niet tijdig of volledig aan het college zijn verstrekt;
de belanghebbende verkeerde in een zodanige geestelijke toestand dat hem/haar de overtreding niet volledig valt aan te rekenen; of
de belanghebbende heeft wel inlichtingen verstrekt, die echter onjuist of onvolledig waren, of heeft anderszins een wijziging van omstandigheden niet onverwijld gemeld, maar uit eigen beweging alsnog de juiste inlichtingen verstrekt, voordat het college de overtreding constateert, tenzij de belanghebbende deze inlichtingen heeft verstrekt in het kader van toezicht op de naleving van een inlichtingenverplichting; of
er is sprake van een samenstel van omstandigheden die elk op zich niet, maar in hun onderlinge samenhang beschouwd wel leiden tot het oordeel dat sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Artikel 2
Verlagen bestuurlijke boete
Onderdeel van Beleidsregels bestuurlijke boete WWB, IOAW en IOAZ gemeente Zoeterwoude 2014