Naar hoofdinhoud
Berekening van de reclamebelasting Voor de berekening van de reclamebelasting wordt met betrekking tot een in de tarieventabel genoemde oppervlaktemaat een gedeelte daarvan als volle eenheid aangemerkt. De oppervlakte van een reclame object wordt als volgt vastgesteld: Indien de openbare aankondiging wordt gedaan op een zuil, bord, vlag, (span)doek, poster of soortgelijk aankondigingsvoorwerp, wordt de oppervlakte van de aankondiging bepaald op de oppervlakte van het voorwerp waarop de aankondiging wordt gedaan. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte van het aankondigingsvoorwerp bepaald door de lengte c.q. de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit; Indien de openbare aankondiging bestaat uit het aankondigingsvoorwerp zelf, wordt de oppervlakte van de aankondiging bepaalde op de oppervlakte van het voorwerp. Indien het voorwerp niet rechthoekig is, wordt de oppervlakte bepaald door de lengte c.q., de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die het voorwerp omsluit; Indien de openbare aankondiging wordt gedaan door middel van een combinatie van verschillende losse voorwerpen of een opschrift met losse letters of symbolen, wordt de oppervlakte van het reclame object bepaald door de lengte c.q. de hoogte en de breedte van de denkbeeldige rechthoek die de voorwerpen of het opschrift omsluit. Indien het reclame object bestaat uit een vlag waarop beide zijden een openbare aankondiging bevindt, wordt deze slechts eenzijdig opgenomen. Indien het reclame object slechts voor een deel zichtbaar is vanaf de openbare weg wordt de oppervlakte van het reclame object bepaald op het van de openbare weg zichtbaar gedeelte van het reclame object.

Rechtspraak bij dit artikel