**1..** De houder van een kindercentrum organiseert de kinderopvang
c.q. peuterspeelzaalactiviteiten op zodanige wijze,
voorziet het kindercentrum zowel kwalitatief als
kwantitatief zodanig van personeel en materieel, draagt zorg
voor een zodanige verantwoordelijkheidstoedeling, en voert
een zodanig pedagogisch beleid dat een en ander leidt of
redelijkerwijs moet leiden tot verantwoorde
kinderopvang.
**2..** Het college kan nadere regels stellen omtrent de kwaliteit
van de kinderopvang- c.q. peuterspeelzaalactiviteiten en de
werkwijze van een kindercentrum c.q. peuterspeelzaal. Deze
regels, die voor verschillende functies verschillend kunnen
zijn, kunnen betrekking hebben op:
de accommodatie en andere gebruikseisen aan een
gebouw en de daarin gelegen ruimten die specifiek
bestemd zijn voor kinderopvang voorzover hierin niet
genoegzaam wordt voorzien bij of krachtens de
Woningwet;
de wijze waarop de gevaren en de risico's voor de
veiligheid en de gezondheid van kinderen worden
voorkomen of beperkt;
de beschikbare ruimte;
de opleidingseisen waaraan de beroepskrachten
voldoen;
de administratie van gegevens ten behoeve van een
goede uitvoering van deze wet;
de wijze waarop de relatie tussen het kindercentrum
en de ouders wordt geregeld;
de voorwaarden waaronder en de mate waarin de
beroepskrachten in opleiding kunnen worden belast
met de verzorging en opvoeding van kinderen;
de wijze waarop informatie, waaronder begrepen
informatie omtrent het te voeren beleid en de wijze
waarop daaraan uitvoering wordt gegeven, onder de
aandacht van ouders wordt gebracht.
**3..** Personen werkzaam bij een kindercentrum zijn in het bezit
van een verklaring omtrent het gedrag, afgegeven volgens de
Wet justitiële documentatie.
**4..** De verklaring, bedoeld in het derde lid, wordt aan de houder
overgelegd, voordat een persoon als bedoeld in het derde lid
zijn werkzaamheden aanvangt. De verklaring is op het moment
dat zij wordt overgelegd, niet ouder dan 2 maanden.
**5..** Indien de houder of de toezichthouder redelijkerwijs mag
vermoeden dat een persoon als bedoeld in het derde lid niet
langer voldoet aan de eisen voor het afgeven van een
verklaring omtrent het gedrag, verlangt de houder dat die
persoon opnieuw een verklaring omtrent het gedrag overlegt
die niet ouder is dan 2 maanden. De desbetreffende persoon
overlegt de verklaring binnen een door de houder vast te
stellen termijn.