Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk

Artikel 11.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet Werk en Inkomen Lekstroom 2015

Aan de Participatiewet ligt het beginsel ten grondslag dat iedereen in eerste instantie in zijn eigen bestaan(kosten) dient te voorzien. Pas wanneer dat niet mogelijk is, kan men een beroep doen op bijstand. Hoofdregel is dus dat iedereen alles zal moeten doen en nalaten om een beroep op bijstand te voorkomen. Leidt een gedraging ertoe dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand, dan is veelal sprake van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Hiervan is in ieder geval sprake bij de volgende gedragingen (als die er toe leiden dat belanghebbende eerder, langer of voor een hoger bedrag is aangewezen op bijstand): het te snel interen van vermogen; het door eigen schuld verliezen van het recht op een uitkering; het door eigen schuld te laat aanvragen van een voorliggende voorziening. Onverantwoord besteden vermogen, eerste lid Wanneer na interen op het vermogen opnieuw een aanvraag om algemene bijstand wordt gedaan, moet worden beoordeeld of het interen op een voor de Participatiewet aanvaardbare wijze heeft plaatsgevonden. De Participatiewet geeft zelf geen norm hiervoor. Het bestuur heeft daarom zelf een norm voor het interen vastgesteld. Doorgaans wordt een interingsnorm van 1,5 maal de van toepassing zijnde bijstandsnorm gehanteerd. Deze norm wordt ook in de jurisprudentie acceptabel geacht [5]. Daarnaast kan er reden zijn om het in te teren vermogen lager vast te stellen als gevolg van substantiële noodzakelijke uitgaven. Denk bijvoorbeeld aan de kosten in verband met de noodzakelijke vervanging van duurzame gebruiksgoederen. De interingsnorm dient niet te worden gehanteerd bij het intrekken van het recht op bijstand [6]. Mislopen voorliggende voorzieningen, tweede lid Onder a; in deze gevallen kan worden gedacht aan het mislopen van bijvoorbeeld een uitkering doordat de belanghebbende zich verwijtbaar te laat heeft gemeld of in dat verband te laat stukken heeft ingeleverd. Onder b; de verplichtingen kunnen inhouden dat belanghebbende over moet gaan tot boedelscheiding of kinder- dan wel partneralimentatie moet vorderen. De onder a en b genoemde bepalingen kunnen maandelijks worden opgelegd, totdat de belanghebbende voldoet aan de verplichtingen. Om die reden is verjaring niet van toepassing.

Rechtspraak bij dit artikel