De colleges kunnen uit de regeling treden na verkregen toestemming van hun gemeenteraad met inachtneming van een opzegtermijn van één kalenderjaar.
Uittreding vindt niet plaats binnen 3 jaar na oprichting van het SSC.
Het uittreden van een van de colleges leidt tot opheffing van de regeling, tenzij er meer dan één gemeente na uittreding overblijft. Het algemeen bestuur regelt de gevolgen van de uittreding.
Op voorstel van het algemeen bestuur kunnen de colleges van de gemeenten besluiten tot opheffing van de regeling.
De uittredende gemeente is een door het algemeen bestuur vastgestelde schadeloosstelling verschuldigd. Deze schadeloosstelling bedraagt in ieder geval;
het aandeel in de oprichtingskosten, frictiekosten en investeringen van de uittredende partij;
de eenmalige kosten als gevolg van het uittreden;
de contante waarde van de door het uittreden ontstane meerkosten voor deresterende deelnemende gemeenten, en
d.de wachtgelden van eventueel overtollig personeel of de overname door deuittredende gemeente van dat personeel.
Het algemeen bestuur stelt een liquidatieplan op om tot opheffing van het SSC te komen.
Het liquidatieplan voorziet in de verplichting van de gemeenten tot deelneming in de financiële gevolgen van de opheffing. Het liquidatieplan voorziet ook in de gevolgen die de opheffing heeft voor de ambtenaar. Indien het SSC alle op haar rustende verplichtingen is nagekomen en een batig saldo resteert, dan wordt dit batig saldo aan de hand van de gehanteerde verdeelsleutel aan gemeenten uitgekeerd. Resteert een negatief saldo, dan zijn gemeenten naar rato van de gehanteerde verdeelsleutel gehouden deze verplichtingen op zich te nemen.
Bij ontbinding van het SSC in verband met opheffing van de regeling of anderszins blijft het SSC voortbestaan voor zover dat voor de vereffening van het vermogen noodzakelijk is.
HOOFDSTUK 7
Artikel 41
Uittreding en opheffing
Onderdeel van Gemeenschappelijke Regeling SSC DeSom 2015