Het college verzamelt alle voor het onderzoek, bedoeld in artikel
2.3.2, eerste lid, van de wet, van belang zijnde en toegankelijke
gegevens over de cliënt en zijn situatie en maakt zo spoedig
mogelijk met hem een afspraak voor een gesprek.
Voor het gesprek verschaft de cliënt het college alle overige
gegevens en bescheiden die naar het oordeel van het college voor het
onderzoek nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking
kan krijgen. De cliënt verstrekt in ieder geval een
identificatiedocument als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de
identificatieplicht ter inzage.
Als de cliënt genoegzaam bekend is bij de gemeente, kan het college
in overeenstemming met de cliënt afzien van een vooronderzoek zoals
bedoeld in het eerste lid.
Het college brengt de cliënt op de hoogte van de mogelijkheid om
een persoonlijk plan als bedoeld in artikel 2.3.2, tweede lid, van
de wet op te stellen en stelt hem gedurende zeven dagen na de
melding in de gelegenheid het plan te overhandigen.
Artikel 4.
Vooronderzoek; indienen persoonlijk plan
Onderdeel van Verordening maatschappelijke ondersteuning Ridderkerk 2015 (1e herziening)