**1..** Een college kan, na vooraf verkregen toestemming van de raad van die gemeente, besluiten dat de deelneming aan deze regeling wordt opgezegd. De raden van de overige gemeenten worden over het besluit geïnformeerd. Een dergelijk besluit kan niet eerder worden genomen dan zes jaar na inwerkingtreding van deze regeling, tenzij een verplichting daartoe voortvloeit uit de wet.
**2..** Het besluit als bedoeld in eerste lid wordt terstond ter kennis gebracht van het algemeen bestuur.
**3..** De datum van uittreding is twee kalenderjaren na het verstrijken van het jaar waarin het besluit tot opzegging is genomen, tenzij partijen anders overeenkomen.
**4..** Alvorens een college een opzeggingsbesluit neemt, wordt over het voornemen daartoe overleg met de overige colleges gevoerd.
**5..** In het voornemen als bedoeld in het vierde lid worden de motieven gegeven op grond waarvan de deelnemende gemeente wenst uit te treden.
**6..** De financiële schade die door de uittreding aan het openbaar lichaam is toegebracht wordt, inclusief de hierdoor ontstane wachtgeldverplichtingen, aan de uittredende gemeente in rekening gebracht. In het kader van de afwikkeling van de financiële gevolgen van de uittreding zal een toewijzing van personeel aan de uittredende deelnemer plaatsvinden en er zal een compensatie verschuldigd zijn voor de overige rechten, verplichtingen en vermogen, tenzij partijen anders overeenkomen.
**7..** De hoeveelheid toe te wijzen personeel wordt bepaald op basis van de begroting van het openbaar lichaam over het jaar dat het besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen en betreft zowel het directe als het indirecte personeel.
**8..** De hoeveelheid toe te wijzen indirect personeel en de overige rechten, verplichtingen en vermogen worden bepaald op basis van de kostenverdelingen, welke zijn opgenomen in de begroting over het jaar dat het besluit als bedoeld in het eerste lid is genomen. .
**9..** De verrekening van het vermogen wordt verrekend met de bijdrage als bedoeld in het zesde lid.
**10..** Voor de vaststelling van de financiële schade als bedoeld in het zesde lid wordt door het algemeen bestuur en de uittredende gemeente, gezamenlijk, advies gevraagd aan een onafhankelijke externe deskundige. Het advies van de deskundige in de vorige zin genoemd zal door partijen als bindend worden ervaren tenzij binnen vier weken na het uitbrengen van het advies een geschil over de financiële schade aan een MfN-register mediator dan wel, indien mediation niet mogelijk is, gedeputeerde staten wordt voorgelegd.