De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien:
a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
b. niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, van de wet gestelde eisen;
c. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f;
d. wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen;
e. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11;
f. de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden;
g. gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt;
h. de exploitant niet langer gerechtigd is om over de ruimte te beschikken;
i. niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 4, vierde lid, gestelde eis.