Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 10

Intrekkingsgronden

Onderdeel van Verordening speelautomaten(hallen)

De burgemeester kan de vergunning intrekken, indien: a. blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend; b. niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 30d, vierde lid, van de wet gestelde eisen; c. de omstandigheden of inzichten op grond waarvan de vergunning is verleend zodanig zijn gewijzigd dat een situatie is ontstaan als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder f; d. wordt gehandeld in strijd met de aan de vergunning verbonden voorschriften of beperkingen; e. niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 11; f. de vergunninghouder de bij of krachtens titel VA van de wet gestelde bepalingen heeft overtreden; g. gedurende een periode van ten minste zes maanden geen gebruik van de vergunning wordt gemaakt; h. de exploitant niet langer gerechtigd is om over de ruimte te beschikken; i. niet langer wordt voldaan aan de krachtens artikel 4, vierde lid, gestelde eis.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel