1.Het dagelijks bestuur ziet af van het opleggen van een maatregel indien:
elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt; of
de gedraging meer dan één jaar voor constatering van die gedraging door
het dagelijks bestuur heeft plaatsgevonden; of
belanghebbende inmiddels geen bijstand of uitkering meer ontvangt, tenzij
de belanghebbende binnen een periode van zes maanden na de datum van de beëindigingsbeschikking opnieuw bijstand of uitkering gaat ontvangen. In dat geval wordt een besluit genomen over het alsnog toepassen dan wel afzien van een maatregel op dat moment; of
het dagelijks bestuur dringende redenen aanwezig acht.
Indien het dagelijks bestuur afziet van het opleggen van een maatregel op
grond van het bepaalde in het eerste lid onder d, wordt daarvan aan de belanghebbende schriftelijk mededeling gedaan.
Hoofdstuk 4.
Artikel 22
Afzien van het opleggen van een maatregel
Onderdeel van Verordening Participatiewet