Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk › Afdeling 3.4 › Paragraaf 6

Artikel 2.6.6

Aanwezigheid van ontruimingsalarminstallaties

Onderdeel van nr 07.01 c. Bouwverordening Zevenaar 2007 (toelichting en bijlagen toelichting)

Lid 1 Aanwezigheid Wanneer de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie op grond van artikel 2.6.2 vereist is, is altijd een ontruimingsalarminstallatie voorgeschreven. NEN 2575 is verbeterd ten aanzien van het volgende: Bij ontruimingsalarminstallaties kennen we tot voor kort 3 typen, namelijk: A-installatie Een speciaal voor dit doel ontwikkeld systeem, waarbij sprake is van een eigen centrale waarop luidsprekers zijn aangesloten. Hierdoor is het mogelijk een ontruiming plaats te laten vinden met behulp van een gesproken mededeling. De installatie wordt hierbij aangestuurd door een brandmeldcentrale. De A-installatie beschikt dus over een eigen centrale met eigen energievoorziening. installatie Bij dit type zijn er ontruimingssignaalgevers (slow whoop) direct aangesloten op de brandmeldcentrale en beschikt dus niet zoals bij een A-installatie over een eigen centrale. De energievoorziening voor de ontruimingsignaalgevers wordt dus ook door de brandmeldcentrale verzorgd. installatie Tot voor kort was het een eis om een brandmeldinstallatie door te melden naar de alarmcentrale van de brandweer. Voor kleinere objecten was deze eis te zwaar. In die gevallen waarbij het object niet “beroepbaar” was, bleek toch een vorm van een installatie noodzakelijk. Omdat doormelding naar de brandweer niet noodzakelijk was, werd deze installatie geen brandmeldinstallatie genoemd maar een C-ontruimingsalarminstallatie. De verschillen tussen een B en een C-installatie waren: Geen doormelding naar de brandweer Blauwe i.p.v. rode handbrandmelders Minder eisen aan de uitvoering van de centrale Met de komst van NEN 2575 zijn de verschillen genoemd bij b en c verdwenen. Bleef dus alleen over de doormelding. Intussen zijn er ook andere vormen van brandmeldinstallaties ontstaan waarbij er geen eis met betrekking tot doormelding naar de brandweer werd gesteld. Deze zijn: Automatische brandmeldinstallaties in parkeergarages tot 2500 m2. Handbandmeldinstallaties bij opslag vuurwerk tot 10 000 kg Automatische brandmeldinstallaties in geval van samenvallende vluchtroutes. Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansturing van de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische brandmelder. Het niet doormelden van brand kan geen criterium zijn om de installatie wel of geen brandmeldinstallatie te noemen. Daarom is besloten de oude “C-ontruimingsalarminstallatie” een “handbrandmeldinstallatie” zonder doormelding te noemen. Dit heeft diverse voordelen, te weten: Het schept voor een ieder een grotere duidelijkheid De betreffende normen kunnen worden vereenvoudigd Het betreffende deel van de bouwverordening wordt duidelijker De toekomstige certificeringregeling voor ontruimingsalarminstallaties wordt overzichtelijker. Logiesfunctie De term logiesgebouw en de grenswaarde van 250 m2 gebruiksoppervlakte zijn geïntroduceerd, omdat voor een zelfstandig zomerhuisje op een bungalowpark geen ontruimingsalarminstallatie noodzakelijk is. Lid 2 Doodlopende gangen In artikel 2.6.2, tweede lid, is geregeld wanneer bij doodlopende gangen een brandmeldinstallatie met ruimtebewaking aanwezig moet zijn. Doordat in het onderhavige artikel de aanwezigheid van een brandmeldinstallatie verplicht is gesteld, volgt uit de werking van artikel 2.6.6 dat tevens wordt voorzien in de alarmering van de gebruikers van de verblijfsruimten die op de bedoelde doodlopende gang zijn aangewezen. Een automatische ontruimingsinstallatie houdt in dat directe aansluiting van de signaalgevers plaatsvindt als gevolg van de activering van een automatische brandmelder.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel