In dit artikel wordt het gebruiken van een bouwwerk waarin een verhoogde kans op brand, dan wel een verhoogde kans op negatieve gevolgen van een eenmaal uitgebroken brand aanwezig is, gebonden aan een vergunning van burgemeester en wethouders, een zogenoemde gebruiksvergunning.
Lid 1, onder e
Overeenkomstig het gestelde in de regelgeving, mogen geen grotere brandcompartimenten worden gebouwd dan 1.000 m2. Doel van dit voorschrift is om de vele onbeheersbare branden die jaarlijks plaatsvinden, in de toekomst te voorkomen. Met name in de industriële bouw levert dit voorschrift knelpunten op. Ingevolge het Bouwbesluit zijn grotere brandcompartimenten mogelijk (Afdeling 2.22: Grote brandcompartimenten),waarbij zodanige voorzieningen zijn getroffen dat een gelijke mate van brandveiligheid wordt geboden als voor brandcompartimenten die kleiner zijn dan 1.000 m2.
Ten einde grote brandcompartimenten te kunnen realiseren wordt het brandbeveiligingsconcept
“Beheersbaarheid van brand”, dat in 1995 door het ministerie van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties is uitgebracht, toegepast. Bij toepassing van dit concept wordt voor het beoogde grote brandcompartiment de maximaal toelaatbare vuurbelasting uitgerekend. De vuurbelasting wordt verdeeld in de permanente vuurbelasting, deze is verwerkt in de bouwconstructies, en de variabele vuurbelasting. Deze laatste maakt in het algemeen verreweg het grootste deel uit van de totale vuurbelasting. Duidelijk zal zijn dat de variabele vuurbelasting direct afhankelijk is van het gebruik van een gebouw. Bij wijziging in het gebruik van het gebouw kan de beheersbaarheid van de brand in het geding komen. Zeker als de vuurbelasting flink toeneemt kunnen onbeheersbare situaties ontstaan.
Toepassing van dit concept vraagt dus om handhaving, om onbeheersbare situaties te voorkomen. In het brandbeveiligingsconcept zijn de instrumenten gegeven om tot een advies voor het verlenen van de
bouwvergunning te komen. De handhaving in dit concept ontbreekt echter. Handhaving is alleen goed
mogelijk indien voor het betreffende bouwwerk een gebruiksvergunning is afgegeven. Zonder het stellen van gebruikseisen aan bouwwerken waarin grote brandcompartimenten zijn gelegen en de verplichting voor een gebruiksvergunning, is handhaving bijzonder lastig.
Voor die bouwwerken, waarin een brandcompartiment is gelegen dat is gerealiseerd conform het
brandbeveiligingsconcept “Beheersbaarheid van brand”, wordt een gebruiksvergunningplicht toegepast om handhavend op te kunnen treden.
Criteria voor vergunningplicht
Lid 2
Onder de voorwaarden als genoemd in het tweede lid van artikel 6.1.1 worden onder meer begrepen voorwaarden met betrekking tot: stoffering en versiering; uitgangen en vluchtwegen; installaties; standbouw, podia, kramen e.d.; verbrandingsmotoren; toepassen van vuurwerk binnen een gebouw; bewaking en controle; ventilatie en werkzaamheden; brandbare, brandbevorderende en bij brand gevaar opleverende stoffen; opstellingsplannen; afval; doorlopend toezicht; brandveiligheidsinstructie en ontruimingsplan uitgaande van de bestaande interne organisatie; het maximaal toelaatbare aantal personen in een ruimte van een gebouw of in een gebouw met het oog op de brandveiligheid; de plaats van, alsmede het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels.
Als criteria voor de gebruiksvergunning zijn aantallen personen vermeld. Bewust is hier gekozen voor zgn. objectieve criteria, die op grond van de feitelijke situatie zijn te bepalen. Zo geldt voor een aantal categorie‘n van bouwwerken het aantal personen dat in dat bouwwerk of een gedeelte daarvan kan verblijven als criterium. Hoewel ook te verdedigen zou zijn geweest het aantal vierkante meters van een bouwwerk of een daarin gelegen verblijfsruimte als objectief criterium te nemen, is toch gekozen voor het aantal personen. Immers, niet het aantal vierkante meters, maar het aantal aanwezigen moet in geval van een calamiteit het gebouw tijdig kunnen verlaten. Natuurlijk kan voor gebouwen waar het aantal personen niet uit het aantal stoelen of bedden kan worden afgeleid, bij voorbeeld een discotheek, een op ervaring berustende berekening worden gemaakt van het te verwachten aantal mensen op basis van het gegeven aantal vierkante meters.
De eisen die aan een gebruiksvergunning moeten worden gesteld, zijn primair gebaseerd op de veiligheid van mensen en de omgeving van het bouwwerk, zoals voorzieningen voor vluchtwegen, alarminstallaties en dergelijke.
Bij de beoordeling van de brandveiligheid is het van belang te weten hoeveel personen in het bouwwerk zullen verblijven. Immers, het doel van dit hoofdstuk is de feitelijke – niet de theoretische – situatie te beoordelen. Voor het beoordelen van een aanvraag om een gebruiksvergunning kan daarom alleen het feitelijke gebruik als criterium worden aangehouden. Hierdoor wordt vermeden, dat in concrete situaties te zware of te lichte eisen worden gesteld.
De getalscriteria in dit artikel zijn op basis van overeenstemming van meningen van deskundigen gekozen. Elk getal is arbitrair.
In enkele gemeenten wordt voor pensionbedrijven e.d. een getal van vijf personen gehanteerd. Het staat de raad van een gemeente vrij een ander getal dan door ons aanbevolen in de verordening vast te stellen. Van primair belang is dat eventueel brandgevaarlijke situaties zo snel mogelijk worden verbeterd.
Aantal toe te laten personen
De bepaling genoemd in het tweede lid, voorlaatste gedachtestreepje, gaat over het aantal toe te laten personen. De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal toe te laten personen, is noodzakelijk, omdat in de gebruiksvergunning geen bouwkundige eisen mogen worden gesteld. Die staan in het Bouwbesluit. Wanneer gelet op het aantal aanwezige personen en de aard van de activiteiten een extra (nood)uitgang en/of een bredere vluchtroute noodzakelijk is, kan dit niet worden geëist in de gebruiksvergunning.
De vergunning weigeren is wellicht een te zwaar middel. Beter is het aantal personen te limiteren. Hierbij kan als vuistregel de bij deze toelichting behorende tabel worden gebruikt (bijlage 3 bij de toelichting, tabel maximaal toelaatbaar aantal personen in een ruimte van een gebouw met het oog op de brandveiligheid).
Draagbare blustoestellen
De hierboven genoemde voorwaarde met betrekking tot het aantal en het type draagbare blustoestellen en/of minihaspels omvat ook de plaats van deze blustoestellen. Dit is nodig, omdat sommige stoffen, indien zij in brand staan, alleen geblust kunnen worden met een andere blusstof dan water. Die andere blusstof, die uit poeder, schuim of gassen kan bestaan, bevindt zich in het algemeen in draagbare blustoestellen.
Overdraagbare gebruiksvergunning
De vergunning is niet persoonsgebonden. Dit betekent dat de vergunning ook op naam van een rechtspersoon kan staan. Het is vaak gewenst voor elk bouwwerk (of combinatie van bouwwerken) een persoon te kennen die verantwoordelijk is voor de brandveiligheid en die daarop aanspreekbaar is. Dit kan worden bereikt door in de vergunningsvoorwaarden een bepaling op te nemen dat de houder van de vergunning (bij voorbeeld aan de brandweer, afdeling preventie) moet opgeven wie (naam en functie) belast is met de zorg voor de brandveiligheid en dat voorts elke mutatie wordt gemeld. De vergunning is overdraagbaar. Bij een vergunning die niet persoonsgebonden is en voor lange duur geldigheid bezit, is overdraagbaarheid wenselijk.
Werkingssfeer
Artikel 6.1.1 is zo geredigeerd dat niet voor alle bouwwerken een gebruiksvergunning is vereist. Vergunningplicht is bepaald aan de hand van risico bij brand, met name de mogelijkheid tot ontruiming en de zelfredzaamheid van mensen. Dit resulteert in extra aandacht voor bouwwerken waar een clustering van mensen (meer dan 50) plaatsvindt, waar kinderen, bejaarden, en/of gehandicapten verblijven, waar nachtverblijf wordt geboden (hotels, pensions). Zo vallen alle categorieën gebouwen waarin kinderopvang in de zin van de Welzijnswet 1994 en de (Model-)verordening kinderopvang plaatsvindt, onder het vereiste van een vergunning brandveilig gebruik. Kamerverhuurbedrijven vallen onder de categorie inrichtingen waarin bedrijfsmatig nachtverblijf wordt verschaft. Er is geen jurisprudentie bekend waaruit blijkt dat kamerverhuurbedrijven buiten de gebruiksvergunningplicht zou vallen.
Wanneer een klein verblijfsgebouw in een brandgevaarlijke toestand verkeert, ligt het voor de hand te wijzen op de gebruiksbepalingen voor bouwwerken, zoals vermeld in artikel 6.2.1 en bijlagen 3 en 4.
De eigenaar van het gebouw kan, indien tevens overtreding plaatsvindt van de brandveiligheidseisen van het Bouwbesluit, op grond van de Woningwet worden aangeschreven de nodige bouwkundige voorzieningen te treffen, conform hieronder in vier situaties na voorwaarden wordt beschreven voor gebruiksvergunningplichtige bouwwerken.
Bouwwerk in plaats van inrichting
De term ‘inrichting’ uit de (model-)Brandbeveiligingsverordening is bij de gebruiksbepalingen in de (model-) Bouwverordening vervangen door ‘bouwwerk’. Dit past beter in de terminologie van de Woningwet. Het begrip ‘bouwwerk’ is ruimer dan ‘gebouw’ (zie begripsomschrijving in artikel 1.1 van de (model-)Bouwverordening.
De vergunningplichtige situaties zullen zich veelal afspelen in een gebouw.
Maar er zijn activiteiten waar meer dan vijftig mensen bijeen zijn en waar de activiteit niet onder één dak plaatsvindt. Bij voorbeeld een openluchtzwembad met tribunes, voetbalveld met tribunes. Dit zijn geen gebouwen, maar wel bouwwerken.
Volledigheidshalve wordt er nog op gewezen dat activiteiten die niet plaatsvinden in een bouwwerk, vallen onder de bepalingen van de (model-)Brandbeveiligingsverordening.
Voorwaarden
De in artikel 6.1.1 bedoelde vergunningplicht heeft tot doel in die situaties waar dat nodig is, het toekomstige gebruik van een bouwwerk te beoordelen op brandveiligheid en zo nodig voorwaarden te verbinden aan het verlenen van een gebruiksvergunning. Ingevolge de Awb moet een dergelijke vergunning op schrift zijn gesteld. De onderwerpen waarop deze voorwaarden betrekking kunnen hebben staan limitatief in het tweede lid van dit artikel.
Het artikel is van toepassing in die situatie waarbij er sprake is van een bestaand of nog op te richten bouwwerk, waarin een van de onder a tot en met c genoemde activiteiten plaatsvindt.
Systematisch kunnen de volgende vier situaties worden onderscheiden, waarin een gebruiksvergunning verplicht is
1 Nieuw bouwwerk
Een bouwwerk wordt nieuw gebouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit aanvangt.
De bouwtechnische eisen gelden volgens het gestelde in het Bouwbesluit en de planologische eisen en de eisen voor de aanwezigheid van brandbeveiligingsinstallaties uit hoofdstuk 2 van de (model-) Bouwverordening 1992 moeten worden nageleefd voor het verkrijgen van de bouwvergunning. De algemene gebruikseisen staan in bijlage 3 en 4 bij de (model-)Bouwverordening 1992 en specifieke gebruikseisen kunnen van geval tot geval worden gesteld en opgenomen als voorwaarden in de gebruiksvergunning.
2 Veranderend bouwwerk
Een bestaand bouwwerk wordt verbouwd, waarna de vergunningplichtige activiteit aanvangt, wijzigt c.q. uitbreidt.
Hiervoor geldt de procedure voor nieuwbouw.
3 Bestaand bouwwerk, nieuw gebruik
In een bestaand bouwwerk vangt een vergunningplichtige activiteit voor het eerst aan.
Eerst moet worden gecontroleerd of de bouwkundige toestand van het bouwwerk uit een oogpunt van brandveiligheid verbetering behoeft volgens de voorschriften van het Bouwbesluit, de delen over bestaande bouwwerken. De aanvraag om gebruiksvergunning moet nu worden aangehouden, totdat aan het besluit ingevolge artikel 13 van de Woningwet is voldaan (artikel 6.1.4, lid 3). Toetsingsgronden voor dit besluit kunnen zijn de delen over bestaande en nieuwe bouwwerken en hoofdstuk 5, paragraaf 2, van de (model-) Bouwverordening. Als dit geregeld is kan de gebruiksvergunning worden verleend, anders mag het nieuwe gebruik niet beginnen. De algemene gebruikseisen staan in de bijlagen 3 en 4 bij de (model-) Bouwverordening 1992 en behoeven dus niet apart te worden opgenomen in de hier bedoelde gebruiksvergunning.
Als een bouwwerk wel voldoet aan het Bouwbesluit, de delen over bestaande bouwwerken, kan de aanvraag om gebruiksvergunning niet worden aangehouden. Een besluit als bovenbedoeld kan echter wel worden gedaan. Als hieraan nog niet zou zijn voldaan, voordat de beslistermijn voor de aanvraag om gebruiksvergunning is verlopen, moet de gebruiksvergunning worden verleend met beper-kende voorwaarden of worden geweigerd.
4 Bestaand bouwwerk, bestaand gebruik
In een bestaand bouwwerk vindt een vergunningplichtige activiteit plaats waarvoor nog geen vergunning is verleend.
De hiervoor onder punt 3 beschreven procedure moet ook hier worden gevolgd.
Bedrijfsverzamelgebouw
Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. In een bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden een voor algemeen gebruik bedoeld gedeelte en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan afzonderlijke ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke onderdelen wordt getoetst aan de (model-)Bouwverordening. Dit betekent dat sommige onderdelen een gebruiksvergunning nodig zullen hebben en andere onderdelen vallen onder de algemene gebruikseisen van artikel 6.2.1. Het voor algemeen gebruik bedoelde gedeelte van het verzamelgebouw zal veelal worden beheerd door een daartoe in het leven geroepen rechtspersoon. Voor zover in dit algemene gedeelte meer dan 50 personen aanwezig zullen zijn, is daarvoor ook een gebruiksvergunning vereist.
Wijziging gebruiksvergunning
Er kan reden zijn de voorwaarden van een gebruiksvergunning te wijzigen of aan te vullen, ook zonder dat het bouwwerk of het gebruik ervan wijzigt. De reden ligt dan in gewijzigde inzichten omtrent de risico’s en/of gewijzigde omstandigheden buiten het bouwwerk waarin de vergunningplichtige activiteiten plaatsvinden.
Een wijziging van de vergunning wordt afzonderlijk in artikel 6.1.1, lid 3, geregeld. Een gebruiksvergunning heeft een veel langere werkingsduur dan een bouwvergunning. Daarom is de kans dat behoefte bestaat aan wijzigingen veel groter. De behoefte aan wijziging of aanvulling van een vergunning kan van twee kanten komen. Van de vergunninghouder en van de overheid. De vergunninghouder kan een nieuwe gebruiksvergunning aanvragen. De overheid kan dit niet. De stand van de techniek, de inzichten en kennis omtrent brandveilig gebruik kunnen wijzigen. Dan is het goed dat de overheid de bevoegdheid heeft een vergunning te wijzigen of aan te vullen.
Uit praktische overwegingen is gekozen voor een systeem, waarbij niet telkens bij wijziging van het gebruik of wijziging van het bouwwerk een zgn. wijzigingsvergunning nodig is. In geval van een dergelijke verandering moet een nieuwe vergunning worden aangevraagd en wordt de hele situatie beoordeeld. Het werk dat is verbonden aan een wijzigingsvergunning is vrijwel gelijk aan het afgeven van een nieuwe vergunning.
Het onderhavige vergunningstelsel in de Model-bouwverordening impliceert het onbeperkt geldig zijn van een gebruiksvergunning, zolang althans het gemeentelijk preventiebeleid en de wijze van gebruik van een bouwwerk niet veranderen. Tevens past het in de sys-tematiek van de Model-bouwverordening dat de tenaamstelling van een gebruiksvergunning desgevraagd zonder meer wordt gewijzigd, indien de nieuwe vergunninghouder de wijze van gebruik van het bouwwerk niet verandert. Er bestaan echter gemeentelijke bouwverordeningen waarin de gebruiksvergunning een beperkte geldigheidsduur heeft en/of persoonsgebonden is. In een dergelijke bouwverordening is de beperkte geldigheidsduur in hoofdzaak bedoeld om in te kunnen spelen op het vaak ongemeld, wijzigend gebruik ten gevolge van veranderingen in de bedrijfsvoering. Aldus ontstaat er een redelijk evenwicht tussen de opbrengst van de legesheffing bij een te hernieuwen aanvraag en de kosten voor handhaving, indien wordt afgeweken van de voorwaarden in de eerder verleende gebruiksvergunning. De persoonsgebondenheid van genoemde gebruiksvergunningen is in hoofdzaak bedoeld om van gemeentewege de dynamiek van de wisselingen in de bedrijfsvoering door nieuwe exploitanten in het desbetreffende bouwwerk onmiddellijk te kunnen volgen. In het rapport-Alders (cafébrand Volendam, Nieuwjaar 2001) is een aanbeveling opgenomen om te onderzoeken of het de voorkeur zou verdienen om landelijk op persoonsgebonden gebruiksvergunningen met een beperkte geldigheidsduur over te stappen.
Lid 4
Speciale aandacht verdient een bedrijfsverzamelgebouw. Een bedrijfsverzamelgebouw valt te onderscheiden in voor algemeen gebruik bedoelde gedeelten en diverse gebouwonderdelen die zijn toe te delen aan afzonderlijke ondernemers of gebruikers. Elk der afzonderlijke onderdelen wordt getoetst aan de Bouwverordening. Dit betekent dat sommige onderdelen een gebruiksvergunning nodig zullen hebben en andere onderdelen vallen onder de algemene gebruikseisen van artikel 6.2.1.
In de praktijk is gebleken dat een bedrijfsverzamelgebouw waar de verschillende onderdelen niet groter zijn dan 50 personen, maar het geheel wél vele malen meer dan 50 personen omvat, niet
gebruiksvergunningplichtig is. Alleen gebruiksvergunningplichtig kunnen worden gesteld de
gemeenschappelijke ruimten; echter zelfs alleen op dat moment dat daar de grenswaarde van 50 personen wordt overschreden; bijv. voor trappenhuizen dus de restrictie van gelijktijdige aanwezigheid van 50 personen. Dit is een ongewenste lezing van de regelgeving, aangezien hiermee onveilige situaties kunnen worden geschapen en overigens ook rechtsongelijkheid ontstaat ten opzichte van vergelijkbare gebouwen die geen bedrijfsverzamelgebouw zijn. Het bedrijfsverzamelgebouw wordt in eerste instantie in zijn totaliteit beschouwd, opdat recht wordt gedaan aan het criterium uit artikel 6.1.1, eerste lid sub a.
De beheerder / eigenaar is verantwoordelijk voor álle gemeenschappelijke ruimten en dient voor al deze ruimten tezamen (ook voor zover hierin minder dan 50 personen zullen verblijven) één gebruiksvergunning aan te vragen. Zo ontstaan er geen ‘blinde plekken’ t.a.v. deze ruimten (zoals een trappenhuis). De beheerder / eigenaar wordt voorts verantwoordelijk gehouden voor de instand-houding van alle gemeenschappelijke brandveiligheidsvoorzieningen in het gehele pand. Dus ook voor zover deze voorzieningen zich bevinden in een individuele ruimte van een gebruiker in het bedrijfsverzamelgebouw.
De afzonderlijke gebruikers dienen een gebruiksvergunning voor de niet-gemeenschappelijke gedeelten te bezitten, voor zover hier meer dan 50 personen aanwezig zijn.
Praktisch betekent dit voor een bedrijfsverzamelgebouw dat slechts individuele ruimten van een individuele gebruiker waarin minder dan 50 personen zullen verblijven, niet gebruiksvergunning-plichtig zijn, maar dat in deze individuele ruimte aanwezige algemene brandveiligheidsvoorzieningen wél onder de beschreven gebruiksvergunningsvoorwaarden van de beheerder / eigenaar vallen.
Hoofdstuk › Afdeling 3.4 › Paragraaf 1
Artikel 6.1.1
Vergunning gebruik bouwwerk
Onderdeel van nr 07.01 c. Bouwverordening Zevenaar 2007 (toelichting en bijlagen toelichting)