Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 1

Artikel 1.4.

Draagkracht

Onderdeel van Beleidsregels bijzondere bijstand Noordoostpolder 2015

1.. Onder draagkracht wordt verstaan het deel van het inkomen en vermogen dat bestemd kan worden voor de betaling van de bijzondere kosten. 2.. De vaststelling van de draagkracht vindt plaats met inachtneming van de volgende punten: het vermogen van de aanvrager wordt bij de vaststelling van draagkracht meegenomen voor zover dit hoger is dan het vrij te laten vermogen conform de wet; een eigen woning wordt niet meegeteld als vermogen. Onder eigen woning wordt verstaan: de woning waarvan de aanvrager, diens fiscale partner, of beiden eigenaar zijn en als hoofdverblijf van de aanvrager gebruikt wordt. in geval van bezit van een eigen woning geldt dat er draagkracht is in verband met de woning als de maandelijkse hypotheeklasten lager zijn dan het laagste bedrag van de normhuur in de Wet op de Huurtoeslag. De normhuur is een deel van de huur dat een huurder altijd zelf moet betalen omdat daarvoor geen huurtoeslag wordt verstrekt. Het verschil tussen de normhuur en de (lagere) hypotheeklasten wordt in dat geval als inkomen aangemerkt. het inkomen voor zover dit hoger is dan 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm conform artikel 5, sub c van de wet, inclusief vakantietoeslag; een eventueel verstrekte individuele inkomenstoeslag wordt niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht; inkomsten in verband met een re-integratietraject als premies, inkomstenvrijlating, onkostenvergoeding vrijwilligerswerk worden niet meegenomen bij de vaststelling van de draagkracht; voor personen vanaf de pensioengerechtigde leeftijd wordt inkomen uit pensioen vrijgelaten tot het bedrag dat genoemd wordt in artikel 33, lid 5 van de wet; als de kosten het gevolg zijn ernstig van verwijtbaar gedrag kan de gemeente besluiten het vermogen, de individuele inkomenstoeslag, het inkomen boven de bijstandsnorm en of het inkomen in verband met re-integratie wel mee te nemen bij het berekenen van de draagkracht. 3.. Voor een belanghebbende vanaf de pensioengerechtigde leeftijd wordt de draagkrachtperiode voor periodieke en incidentele bijzondere bijstand in beginsel voor drie jaar vastgesteld, beginnend op de eerste dag van de maand waarin de bijzondere kosten zijn/worden gemaakt. Bij een nieuwe verstrekking in de vastgestelde draagkrachtperiode kan de laatst bepaalde draagkracht worden gehanteerd. 4.. In tegenstelling tot het bepaalde in voorgaand lid, wordt voor alle overige belanghebbenden de draagkrachtperiode voor periodieke en incidentele bijzondere bijstand vastgesteld voor 1 jaar , ingaande de eerste dag van de maand waarin de aanvraag om bijzondere bijstand is ingediend, dan wel de eerste dag van de maand waarin de bijstandsverlening ingaat, vastgesteld en dient de aanwezige draagkracht naar evenredigheid van de periode waarover bijstand wordt verstrekt te worden verrekend 5.. Als er met terugwerkende kracht bijzondere bijstand wordt aangevraagd gaat de draagkracht in op de eerste van de maand waarin de kosten zijn gemaakt (dus ook met terugwerkende kracht). 6.. De draagkracht wordt vastgesteld op 35% van de overschrijding boven het vrij te laten vermogen, c.q. op 35 % van de overschrijding boven de 110% van de van toepassing zijnde bijstandsnorm tenzij in deze beleidsregels anders is bepaald.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel