Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 12

Artikel 12.4

Begrenzing naar evenredigheid

Onderdeel van Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2015

Bij het vaststellen van de maximale hoogte van de boete wordt rekening gehouden met de beschikbare draagkracht binnen een redelijke termijn van belanghebbende. Hiervoor wordt de maximale hoogte van de boete begrensd op basis van een fictieve draagkracht. Deze fictieve draagkracht wordt als volgt berekend: bij opzet bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 24 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,–; bij grove schuld bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 18 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,–; bij normale verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 12 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,–; bij verminderde verwijtbaarheid bedraagt de maximale boete een bedrag ter hoogte van 6 maal 10% van de ten tijde van het opleggen van de boete op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm, naar beneden afgerond op een veelvoud van € 10,–; bij recidive bedraagt de maximale boete een bedrag van 150% van de uitkomsten, voorafgaand aan afronding van de op grond van het eerste tot en met het vierde lid van dit artikel gemaakte berekeningen waarbij de uitkomsten naar beneden worden afgerond op een veelvoud van € 10,–; voor zover sprake is van vermogen wordt dit bij de berekening van de boete buiten beschouwing gelaten; indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten heeft dan een uitkering en bekend is hoe hoog deze inkomsten zijn, dan wordt de maximale hoogte van de boete vastgesteld door 90% van de op de belanghebbende van toepassing zijnde bijstandsnorm in mindering te brengen op het netto besteedbare inkomen en het verschil bij opzet met 24 te vermenigvuldigen, bij grove schuld met 18, bij normale verwijtbaarheid met 12 en bij verminderde verwijtbaarheid met 6; indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete andere inkomsten heeft dan een uitkering en géén medewerking verleent om inzicht te bieden in de hoogte van de inkomsten, dan wordt de boete vastgesteld op basis van een geschat inkomen, waarbij onder andere gebruikgemaakt kan worden van de informatie die de gemeente kan verkrijgen uit Suwinet-Inkijk.Indien in Suwinet-Inkijk aanwezig wordt bij voorkeur uitgegaan van het Sociaal Verzekeringsloon, anders het nabij gelegen hogere bedrag. Indien in Suwinet-Inkijk geen of geen betrouwbare gegevens opgenomen zijn, wordt geen toepassing gegeven aan artikel 2, lid 8 van het Boetebesluit socialezekerheidswetten; indien de belanghebbende ten tijde van het opleggen van de boete een uitkering heeft op grond van de IOAW of de IOAZ, dan wordt voor de toepassing van dit artikel uitgegaan van de bijstandsnorm die op belanghebbende van toepassing zou zijn indien belanghebbende een uitkering op grond van de wet zou ontvangen; bij kostendelers wordt de van toepassing zijnde kostendelersnorm aangemerkt als bijstandsnorm.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel