Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 12

Artikel 12.1

Boete bij schending inlichtingenplicht

Onderdeel van Beleidsregels gemeentelijke werk- en inkomensvoorzieningen Zaanstad 2015

1.. Het niet, niet behoorlijk of niet tijdig voldoen aan de inlichtingenplicht is een overtreding die wordtgesanctioneerd met een boete of een waarschuwing. 2.. Er wordt tijdig voldaan aan de inlichtingenplicht indien de vereiste inlichtingen verstrekt worden binnen een termijn van uiterlijk twee weken gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen voor belanghebbende beschikbaar zijn. 3.. De hoogte van de boete wordt bepaald in evenredigheid met de mate waarin de inlichtingenplicht is geschonden, waarbij in ieder geval betrokken worden de ernst van de overtreding, de omstandigheden van de belanghebbende en de mate van verwijtbaarheid. 4.. De hoogte van de boete wordt afgestemd op de individuele situatie van de belanghebbende en zijn gezin. 5.. De hoogte van de boete, afhankelijk van de mate van verwijtbaarheid, wordt als volgt vastgesteld: er wordt een boete van 100% van het benadelingsbedrag opgelegd indien sprake is van opzet. Van opzet is sprake indien de belanghebbende de inlichtingenplicht willens en wetens heeft geschonden met de bedoeling een hogere uitkering te verkrijgen of te behouden dan waar recht op bestaat. Dat willens en wetens gehandeld is, is aan de orde bijvoorbeeld indien de belanghebbende de feiten en omstandigheden anders heeft voorgedaan dan ze in werkelijkheid zijn; er wordt een boete van 75% van het benadelingsbedrag opgelegd indien van grove schuld sprake is. Van grove schuld is sprake indien de belanghebbende heeft nagelaten bepaalde feiten en omstandigheden tijdig, juist en op de voorgeschreven wijze te melden. Tevens moet hierbij vaststaan vast dat de belanghebbende: redelijkerwijs had moeten weten dat van een nalatigheid sprake was en dat deze nalatigheid zou leiden of heeft geleid tot het behouden of verkrijgen van een hogere uitkering dan waar recht op bestaat, en in staat geweest is deze nalatigheid te voorkomen of te herstellen en heeft verzuimd dit uit zichzelf te doen. er wordt een boete van 50% van het benadelingsbedrag opgelegd indien de belanghebbende heeft nagelaten om een of meer wijzigingen van feiten en omstandigheden waarvan de belanghebbende weet of redelijkerwijs kan en behoort te weten dat deze van belang zijn voor de uitkering, tijdig en op de voorgeschreven wijze te melden; er wordt een boete opgelegd van 25% van het benadelingsbedrag indien uit de beoordeling van de situatie blijkt dat er van verminderde verwijtbaarheid zoals omschreven in artikel12.2 sprake is. 6.. Er wordt een boete opgelegd van 150% van het percentage genoemd in de onderdelen a tot en met d van het vijfde lid, indien de belanghebbende herhaald de inlichtingenplicht niet of niet behoorlijk nakomt. 7.. Van herhaald zoals genoemd in het zesde lid is sprake indien de belanghebbende binnen een tijdvak van vijf jaar voorafgaand aan de dag van het begaan van de overtreding een bestuurlijke boete of strafrechtelijke sanctie opgelegd heeft gekregen wegens een eerdere schending van de inlichtingenplicht, bestaande uit eenzelfde gedraging, die onherroepelijk is geworden. 8.. Indien er geen sprake is van een benadelingsbedrag worden bij schending van de inlichtingenplicht de volgende situaties onderscheiden: er wordt een waarschuwing gegeven in plaats van een boete indien de belanghebbende in de twee jaar voorafgaand aan het begin van de boetewaardige gedraging geen waarschuwing of boete heeft gehad; er wordt een waarschuwing gegeven in plaats van een boete indien de vereiste inlichtingen als nog uit eigen beweging verstrekt worden binnen een termijn van uiterlijk 60 dagen gerekend vanaf het moment dat de inlichtingen voor belanghebbende beschikbaar zijn en vóórdat de schending van de inlichtingenplicht is geconstateerd er wordt een boete van € 150,– opgelegd indien het begin van de boetewaardige gedraging zich binnen twee jaar na een eerdere waarschuwing of boete voordoet.

Rechtspraak bij dit artikel