Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Begripsomschrijving

Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van Marktgeld 2015

Deze verordening verstaat onder: 1. Dagplaats: een standplaats die per marktdag beschikbaar wordt gesteld aan de vergunninghouder, omdat deze niet als vaste standplaats is toegewezen dan wel ingenomen; 2. Jaar: kalenderjaar; 3. Maand: kalendermaand; 4. Markt: de warenmarkt, welke krachtens besluit van het college op de daartoe aangewezen plaats, dag en tijd wordt gehouden; 5. Marktdag: de dag waarop de markt wordt gehouden, waarbij de voor de markt bestemde dagen afzonderlijk worden beschouwd; 6. Marktmeester: de als zodanig door het college aangewezen ambtenaar; 7. Marktterrein: de gehele oppervlakte openbare of voor het publiek toegankelijke grond, welke bij besluit van het college voor het uitoefenen van de markthandel is of wordt aangewezen; 8. Meeloper: een gegadigde voor een dagplaats die geen vaste standplaats heeft; 9. Standplaats: de op of voor de duur van een markt door het college aangewezen ruimte voor het uitoefenen van de markthandel; 10. Standwerker: de marktkoopman die publiek om zich verzamelt, een voor het publiek aansprekende uiteenzetting houdt over het door hem te verkopen artikel en ten slotte tracht een aantal personen gelijktijdig tot aankoop daarvan te bewegen; 11. Standwerkersplaats: een dagplaats bestemd voor het uitoefenen van de handel op een wijze als bij standwerken geboden is; 12. Vaste plaats: een standplaats die tot wederopzegging ter beschikking wordt gesteld aan devergunninghouder; 13. Vergunning- of standplaatshouder: ieder aan wie door het college een vergunning is afgegeven om gedurende een markt een standplaats in te nemen.

Rechtspraak bij dit artikel