1.. Het college stelt de vordering, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte wettelijke

rente en de invorderingskosten, buiten (verdere) invordering indien de belanghebbende

gedurende een aaneen gesloten periode van vijf jaar geen betalingen (meer) heeft verricht en

het aantoonbaar niet aannemelijk is dat hij deze op afzienbare termijn alsnog zal gaan

verrichten.

2.. Het college stelt de vordering dan wel de boete buiten (verdere) invordering indien deze niet

langer juridisch afdwingbaar is.

3.. Het college stelt de boete, met inbegrip van de eventueel al in rekening gebrachte

wettelijke rente en de invorderingskosten, buiten (verdere) invordering indien de

belanghebbende gedurende een aaneengesloten periode van 10 jaar in zijn geheel geen

betalingen (meer) heeft verricht wegens andere redenen dan het hebben van

aflossingsverplichtingen ten behoeve van andere bestuurlijke vorderingen en/of boetes, en

aantoonbaar niet aannemelijk is dat hij deze op enig moment alsnog zal gaan verrichten.

4.. Het college maakt gebruik van haar bevoegdheid ingevolge artikel 25, zesde lid onder c

van de IOAW en artikel 25, zesde lid onder c van de IOAZ voor zover het niet (meer) verrichten

van aflossingen het gevolg is van andere redenen dan het hebben van lopende

aflossingsverplichtingen ten behoeve van andere bestuurlijke vorderingen en/of boetes.