Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan:
de wet:
de Wet op de Kansspelen (Stbl. 1964, 483; laatstelijk gewijzigd bij wet van
13 november 1985, Stbl. 600);
speelautomaat:
een toestel, ingericht voor de beoefening van een spel, dat bestaat uit een door de speler in werking gesteld mechanisch, elektrisch of elektronisch proces, waarbij het resultaat kan leiden tot de middellijke of onmiddellijke uitkering van prijzen of premies, daaronder begrepen het recht om gratis verder te spelen;
vergunning:
de in artikel 30b van de wet bedoeld vergunning voor het aanwezig hebben van één of meer speelautomaten (aanwezigheidsvergunning);
exploitatievergunning:
de in artikel 30h van de wet bedoelde vergunning voor het exploiteren van een speelautomaat;
inrichting:
een inrichting als bedoeld in artikel 3 eerste lid onder a of c van de Drank- en Horecawet, indien daarvoor ingevolge die wet vergunning is verleend en deze nog van kracht is;
een inschrijving, waarvan de ondernemer inschrijfplichtig en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca;
ondernemer/vergunninghouder:
de natuurlijke of rechtspersoon die een inrichting exploiteert als bedoeld in artikel 30c, lid a of b van de wet.