Als een belanghebbende een door het college opgelegde verplichting als
bedoeld in artikel 55 van de Participatiewet niet of onvoldoende nakomt,
wordt een verlaging toegepast. De verlaging wordt vastgesteld op:
100 procent van de bijstandsnorm gedurende 1
maand, bij het niet of onvoldoende nakomen van
verplichtingen die strekken tot arbeidsinschakeling, bij het
niet of onvoldoende nakomen van verplichtingen die verband
houden met de aard en het doel van een bepaalde vorm van
bijstand, en bij het niet of onvoldoende nakomen van
verplichtingen die strekken tot vermindering van de
bijstand;
100 procent van de bijstandsnorm gedurende twee
maanden, bij het niet of onvoldoende nakomen van
verplichtingen die strekken tot beëindiging van de
bijstand.
Bij een verlaging als bedoeld in artikel 14, onderdeel a, kan de
verlaging worden toegepast over twee maanden waarbij zowel aan
de maand van oplegging als aan de daaropvolgende maand de helft
van de verlaging wordt toebedeeld.
Bij een verlaging als bedoeld in artikel 14, onderdeel b, wordt
op verzoek van belanghebbende de verlaging toegepast over drie
maanden waarbij zowel aan de maand van oplegging als aan de twee
daaropvolgende maanden een derde van de verlaging wordt
toebedeeld.
Hoofdstuk 4.
Artikel 14.
Niet nakomen van overige verplichtingen
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015