**1..** Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
gedraging als bedoeld in de artikelen 7, tweede en derde lid, 8,
tweede en derde lid, 12, tweede lid onder a, 13 of 14, eerste en
tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare
gedraging, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging
verdubbeld, of, indien dat het geval is, ten opzichte van de duur
van de verlaging die na eventuele heroverweging (Participatiewet,
artikel 18, lid 3) of herziening (Participatiewet, artikel 18, lid
11) is vastgesteld.
**2..** Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
gedraging als bedoeld in de artikelen 12, tweede lid, onder b, c, en
d opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde verwijtbare gedraging, wordt
telkens de duur van de oorspronkelijke verlaging met een maand
verlengd.
**3..** Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
gedraging als bedoeld in de artikelen 7, eerste lid en tweede lid,
of 8, eerste en tweede lid, opnieuw schuldig maakt aan eenzelfde
verwijtbare gedraging, wordt telkens de hoogte van de
oorspronkelijke verlaging verdubbeld.
**4..** Als een belanghebbende zich binnen twaalf maanden na bekendmaking
van een besluit waarmee een verlaging is toegepast vanwege een
gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
Participatiewet, opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare
gedraging als bedoeld in artikel 18, vierde lid, van de
Participatiewet, wordt telkens de duur van de oorspronkelijke
verlaging verdubbeld, of, indien dat het geval is, ten opzichte van
de duur van de verlaging die na eventuele heroverweging
(Participatiewet, artikel 18, lid 3) of herziening (Participatiewet,
artikel 18, lid 11) is vastgesteld.
Hoofdstuk 5.
Artikel 16.
Recidive
Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ Ridderkerk 2015