Naar hoofdinhoud

hoofdstuk 2

Artikel 2

Regels rond verstrekking en verantwoording

Onderdeel van Besluit maatschappelijke ondersteuning Wormerland 2014

1.. Verstrekking van een toegekende individuele voorziening in de vorm van een persoonsgebonden budget vindt plaats op verzoek van de aanvrager. 2.. Verstrekking van het persoongebonden budget vindt niet plaats indien: op grond van aanwijzingen die tijdens het onderzoek duidelijk zijn geworden of het ernstige vermoeden bestaat dat de aanvrager problemen zal hebben bij het omgaan met een persoonsgebonden budget; eerder misbruik is gemaakt van deze vorm van verstrekking van een individuele voorziening. 3.. Bij de toekenning van het persoonsgebonden budget gelden in ieder geval de volgende verplichtingen: het persoonsgebonden budget wordt uitsluitend gebruikt voor betaling van de geïndiceerde voorziening en de daarmee samenhangende kosten; de geïndiceerde voorziening die de aanvrager verwerft met het persoonsgebonden budget dient adequaat, veilig, cliëntgericht en kwalitatief verantwoord te zijn; de aanvrager dient een aansprakelijkheidsverzekering te hebben (afgesloten) voor schade die door het gebruik van de voorziening aan derden kan ontstaan; de aanvrager dient een voorziening die een motorrijtuig is in de zin van de Wet aansprakelijkheidsverzekering motorrijtuigen (WAM) te verzekeren overeenkomstig artikel 2 van die wet; de aanvrager bewaart de rekening(en) en betalingsbewijs (betalingsbewijzen) van de met het persoonsgebonden budget verworven geïndiceerde gedurende vijf jaar of, indien de normale afschrijvingsduur langer is dan deze termijn, overeenkomstig deze langere termijn en stelt deze op verzoek ter beschikking van het college. de aanvrager dient indien de voorziening binnen de vooraf vastgestelde looptijd niet meer nodig is de gemeente te informeren. De gemeente kan overwegen om de voorziening op te vragen bij de aanvrager. 4.. De aanvrager mag niet overgaan tot verkoop of verpanding van de voorziening. 5.. De verantwoording van het persoonsgebonden budget door de budgethouder aan het college vindt plaats in alle gevallen na aanschaf van een hulpmiddel of voorziening, na afloop van de verstrekking of in het geval van hulp bij het huishouden na afloop van elk kalenderjaar. Controle over de verantwoording vindt steekproefsgewijs plaats door de gemeente. In 2014 is de steekproef 100 procent. 6.. Het deel van het toegekende persoonsgebonden budget dat niet wordt besteed aan de geïndiceerde dienst of voorziening, wordt niet uitgekeerd, wordt verrekend of dient te worden terugbetaald aan de gemeente. 7.. Op het persoonsgebonden budget zijn de bepalingen van toepassing uit de Regeling Persoonsgebonden budget die als bijlage 5 is opgenomen in de beleidsregels.

Rechtspraak bij dit artikel