Naar hoofdinhoud

HOOFDSTUK 5.

Artikel 13.

Tekortschietend besef van verantwoordelijkheid

Onderdeel van Afstemmingsverordening Participatiewet, IOAW en IOAZ gemeente Westland 2015

1.. Een verlaging wegens tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan als bedoeld in artikel 18, tweede lid, van de Participatiewet wordt afgestemd op de ernst van de gedraging. De gedraging kan tijdens of voorafgaand aan de uitkering hebben plaatsgevonden. 2.. Bij de volgende gedragingen wordt een verlaging van 100% van de uitkering gedurende één maand opgelegd: de belanghebbende heeft verwijtbaar algemeen geaccepteerde arbeid of werk als zelfstandige verloren en moet daardoor een beroep doen op een uitkering van de gemeente; de belanghebbende heeft verwijtbaar geen recht (meer) op een voorliggende voorziening in de zin van artikel 15 van de Participatiewet; de belanghebbende heeft verwijtbaar inkomsten verloren; als een voorliggende voorziening, wegens verrekening van een bestuurlijke boete in verband met herhaalde schending van de inlichtingenplicht, niet tot uitbetaling komt. 3.. De duur van de verlaging van 100% wordt vastgesteld op twee maanden wanneer er sprake is van grove opzet door de belanghebbende bij het verliezen van algemeen geaccepteerde arbeid of werk als zelfstandige voorafgaande aan de uitkering. 4.. Wanneer een belanghebbende een beroep op bijstand doet omdat een passende en toereikende voorliggende voorziening volledig wordt verrekend met een bestuurlijke boete door herhaling van het schenden van de inlichtingenplicht in een andere sociale uitkering, wordt afstemming toegepast van honderd procent gedurende de één tot drie maanden gerekend vanaf de datum van aanvraag. 5.. Als een belanghebbende voorafgaand aan, of tijdens de bijstandsperiode, een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan heeft betoond door onverantwoorde besteding van financiële middelen, stemt het college de verlaging af op de hoogte van het benadelingsbedrag: bij een benadelingsbedrag tot € 4.000,-: 30% van de uitkering gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 4.000,- tot € 6.000,-: 100% van de uitkering gedurende één maand; bij een benadelingsbedrag van € 6.000,- tot € 8.000,-: 100% van de uitkering gedurende twee maanden; bij een benadelingsbedrag vanaf € 8.000,-: 100% van de uitkering gedurende twee maanden plus één maand voor elke € 2.000,- waarmee het benadelingsbedrag boven € 8.000,- uitstijgt. 6.. Het is mogelijk om, náást het opleggen van een verlaging uit dit artikel, het resterende recht op bijstand te verstrekken in de vorm van een geldlening zoals bedoeld in artikel 48, tweede lid, onderdeel b van de Participatiewet. Dit kan tot aan de dag waarop zonder het betoonde tekortschietende besef recht op bijstand zou zijn ontstaan. 7.. In het geval dat een belanghebbende zich binnen een periode van twaalf maanden na vaststelling van de eerdere verwijtbare gedraging opnieuw schuldig maakt aan een verwijtbare gedraging zoals bedoeld in dit artikel, wordt de duur van de verlaging verdubbeld.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel