**1..** Het college kan een uitkeringsgerechtigde op trede 2 en 3 zonder traject naar werk die een beroep doet op de Participatiewet, IOAW of IOAZ een tegenprestatie opdragen.
**2..** In afwijking van het eerste lid draagt het college geen tegenprestatie op aan:
De belanghebbende die aantoonbaar vrijwilligerswerk verricht dat naar aard en omvang minimaal vergelijkbaar is met een tegenprestatie als bedoeld in deze verordening
De belanghebbende die mantelzorg verricht voor zover het verrichten van die mantelzorg naar het oordeel van het college redelijkerwijs noodzakelijk is.
**3..** Het college kan een belanghebbende op de overige treden van de participatieladder uitsluitend een tegenprestatie opdragen indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
**4..** Bij het opdragen van een tegenprestatie houdt het college rekening met de volgende factoren:
de tegenprestatie moet naar vermogen kunnen worden verricht door een belanghebbende;
de persoonlijke situatie en individuele omstandigheden van een belanghebbende moeten in aanmerking worden genomen;
de persoonlijke wensen en kwaliteiten van een belanghebbende moeten in overweging worden genomen;
als een belanghebbende al maatschappelijke activiteiten of vrijwilligerswerk verricht, moet daarmee rekening worden gehouden;
**5..** In het besluit tot opleggen van een tegenprestatie wordt in ieder geval vermeld de duur en omvang van de tegenprestatie en de termijn waarbinnen deze dient aan te vangen.
PARAGRAAF 3.
Artikel 4.
Het opdragen van een tegenprestatie
Onderdeel van Verordening tegenprestatie Participatiewet Leidschendam-Voorburg 2015