De vergunning kan door het college worden ingetrokken indien:
blijkt dat de vergunning ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;
blijkt dat de vergunninghouder de voorschriften als bedoeld in artikel 12, tweede lid, niet naleeft;
de omstandigheden aan de kant van de vergunninghouder zich zodanig hebben gewijzigd, dat het belang van het monument zwaarder dient te wegen;
2 jaar na de verlening geen gebruik is gemaakt van de vergunning.
Het college stelt de vergunninghouder van het voornemen tot intrekking van de vergunning in kennis.
Een afschrift van het besluit tot intrekking wordt aan de monumentencommissie toegezonden.
HOOFDSTUK 5 DE BESCHERMING VAN GEMEENTELIJKE STADS- EN DORPSGEZICHTEN