Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 3

Artikel 3.2.2

Resultaat 2: Zich lokaal verplaatsen per vervoermiddel

Onderdeel van Beleidsregels maatschappelijke ondersteuning 2015 gemeente Rijssen-Holten

Inleiding Het lokaal verplaatsen per vervoermiddel is de mogelijkheid om in de eigen woon- en leefomgeving te gaan en staan waar men wil. Er wordt gesproken over lokaal verplaatsen, waarbij gedacht moet worden aan verplaatsingen in een straal van 20 tot 30 kilometer rond de woning. Buiten dit gebied kan gebruik worden gemaakt van de mogelijkheden van het boven-regionale vervoer, dat Valys in opdracht van het ministerie van VWS verricht. Hiervoor is een Wmo-toekenning voor een vervoersvoorziening, rolstoel of scootmobiel nodig. Het hebben van een OV begeleiderskaart of een gehandicaptenparkeerkaart voldoet ook. Een collectief vervoersysteem heeft prioriteit, zodat de keuze voor een persoonsgebonden budget beperkt kan worden, mits men rekening houdt met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager. Er wordt geen onbeperkte kosteloze vervoermogelijkheid aangeboden. Zoals ook voor personen zonder beperkingen geldt, moet men voor het vervoer een bijdrage te betalen al dan niet in de vorm van een tarief. Afwegingskader Als iemand gebruik kan maken van het openbaar vervoer en ook het openbaar vervoer kan bereiken, dan is dit voorliggend. Het criterium “gebruik of het bereiken van het openbaar vervoer is onmogelijk” wordt als volgt ingevuld: de persoon met beperkingen (hierna belanghebbende) is niet in staat om zich zelfstandig te verplaatsen, met of zonder loophulpmiddel; belanghebbende kan de wachttijden bij de bushalte niet overbruggen; of belanghebbende kan de instap in de bus niet maken; of belanghebbende is niet in staat langere tijd te zitten of de beweging van de bus of de trein te doorstaan. Naast lichamelijke beperkingen is het ook mogelijk dat iemand wegens psychische of psychosociale problemen niet in staat is met het openbaar vervoer te reizen. Verder is het ontbreken van openbaar vervoer geen criterium of argument voor het verkrijgen van een vervoersvoorziening. Voorbeelden van voorzieningen die als algemeen gebruikelijk worden aangemerkt, zijn: tandems, reguliere (elektrische) fietsen, fietsen met lage instap, fietsen met hand- of terugtraprem of fietsen met andere vrij verkrijgbare kleine aanpassingen. Als blijkt dat ondersteuning nodig is, zal eerst gekeken worden waar de vervoersbehoefte van de aanvrager/betrokkene uit bestaat. Aan de hand van deze vervoersbehoefte zal het college beoordelen of deze behoefte bij een persoon met een maximale loopafstand van 800 meter ingevuld kan worden met een systeem van collectief vraagafhankelijk vervoer. Hierbij houdt het college rekening met de persoonskenmerken en behoeften van de aanvrager/betrokkene. Toelichting: Is er een indicatie voor het gebruik van het collectief vraagafhankelijk vervoer, dan ontvangt men een Wmo-vervoerpas, waarmee men tegen gereduceerd tarief kan reizen met de regiotaxi. Kinderen en vervoersvoorzieningen Kinderen tot 4 jaar hebben geen zelfstandig vervoerspatroon en komen niet in aanmerking voor een Wmo-vervoerpas dan wel een maatwerkvoorziening. Kinderen jonger dan 4 jaar hebben geen vervoersprobleem, omdat de ouders hen kunnen meenemen zonder dat een aparte voorziening hoeft te worden getroffen. Voor deze leeftijdsgroep lijken de vervoersproblemen, voor zover ze betrekking hebben op begeleiding of gesloten vervoer, niet zodanig afwijkend van de vervoersproblemen van leeftijdsgenoten dat er aanleiding is voor een maatwerkvoorziening. Kinderen van 4 tot 12 jaar hebben een gedeeltelijke vervoersbehoefte en worden bij het verplaatsen bijna altijd begeleid door ouders. Kinderen van 12 jaar en ouder hebben, evenals volwassenen, een zelfstandige vervoersbehoefte. Op basis hiervan wordt het volgende beleid gehanteerd: - Cliënten beneden de 4 jaar ontvangen geen voorziening. - Cliënten in de leeftijd van 4 tot 12 jaar ontvangen een halve voorziening,325 zones voor het collectief vervoer op jaarbasis of wanneer het collectief vervoer geen adequate voorziening is 50% van de financiële tegemoetkoming. - Cliënten vanaf 12 jaar ontvangen een gehele voorziening. Gevallen waarin deze regel onredelijk zou werken, worden individueel beoordeeld. Met een systeem voor collectief vervoer of met een andere maatvoorziening moet tenminste een afstand van 1500 - 2000 km per jaar te kunnen worden afgelegd. Als daar aanleiding voor is, kan het college dit aantal ophogen.De omvang van het gebied, waarvoor de compensatieplicht geldt, omvat een straal van  20 – 30  kilometer te rekenen vanaf de woning van de persoon met beperkingen. Daarnaast moet een persoon met beperkingen zich zodanig kunnen verplaatsen, dat aansluiting gevonden kan worden bij regionale, bovenregionale en landelijke vervoerssystemen. Bij personen met een zeer beperkte loopafstand zal het college beoordelen of naast een voorziening als collectief vervoer ook nog een voorziening verstrekt moet worden voor de zeer korte afstand. Indien collectief vervoer niet mogelijk is[1], kan het college een maatwerkvoorziening in de vorm van een voorziening in natura of een persoonsgebonden budget te besteden aan vervoer verstrekken. Ten aanzien van het verstrekken van een vervoermiddel in de vorm van een persoonsgebonden budget, wordt verwezen naar hetgeen hierover is opgenomen in het hierna volgende hoofdstuk. Met de positie van mantelzorgers kan rekening worden gehouden bij het bepalen van de vervoersvoorziening.

Rechtspraak bij dit artikel