In de praktijk wordt meestal met voorschotten gewerkt. Op grond van artikel 4:54 van de Awb is voorschotverlening alleen mogelijk indien de verordening dat bepaalt. Afgewogen moet worden of voorschotverlening noodzakelijk is en zo ja, welk systeem van bevoorschotting wordt gehanteerd. De beslissing om een voorschot te verlenen of te weigeren moet worden beschouwd als een beschikking, waartegen bezwaar en beroep openstaat. Verlening van een voorschot verplicht tot uitbetaling.
De subsidie kan bij voorschot in twaalf of minder termijnen worden uitgekeerd. Als betalingsritme voor de twaalf termijnen geldt:
in de maand mei 2/13 deel van het bedrag;
over de resterende maanden 1/13 deel van het bedrag per maand.
Dit wordt bepaald bij de verlening van de subsidie.
Uitzondering hierop is de bevoorschotting bij de budgetsubsidie, die in beginsel per kwartaal geschiedt (conform uitgangspunten Nota subsidiebeleid).
Bij relatief kleine subsidies, zoals waarderingssubsidies, kan bevoorschotting plaatsvinden in 1 termijn, in januari aan het begin van ieder subsidiejaar.
De wijze van bevoorschotting kan worden bepaald bij verlening van de subsidie.
Het college kan afwijken van bovenstaande betalingsritmes in daartoe aangewezen gevallen.
Het is mogelijk de beschikking tot subsidieverlening te combineren met een beschikking tot voorschotverlening. Het is zinvol vast te leggen hoe met de voorschotten wordt omgegaan bij de subsidievaststelling en wat er moet gebeuren als de vaststelling lager uitvalt dan de bevoorschotting.
Op grond van het tweede lid kan het rondpompen van geld worden voorkomen. Bevoorschotting aan een instelling waarvan het voortbestaan onzeker is, kan worden gestopt (artikel 4:56). Op grond van artikel 4:56 kan worden voorkomen, dat naderhand voorschotten moeten worden teruggevorderd van een instelling die niet aan haar verplichtingen voldoet.