Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 4.

Artikel 3

Artikel 3

Onderdeel van TOESLAGENVERORDENING WET WERK EN BIJSTAND 2010

Eerste lid Op grond van artikel 30, lid 2, sub a, WWB is de gemeenteraad verplicht om te bepalen dat de toeslag 20 procent van de gehuwdennorm bedraagt voor de alleenstaande of de alleenstaande ouder in wiens woning niet een ander zijn hoofdverblijf heeft. Tweede lid In geval in de woning van de belanghebbende ook een ander zijn hoofdverblijf heeft, wordt verondersteld dat de algemeen noodzakelijke kosten van bestaan gedeeld kunnen worden (bijvoorbeeld huur, gas, electra, water). Daarbij is de mate waarin de kosten ook daadwerkelijk worden gedeeld niet van belang. Dat is een verantwoordelijkheid van belanghebbende zelf. Zolang er geen sprake is van een gezamenlijke huishouding, moeten we er vanuit gaan dat niet alle kosten kunnen worden gedeeld. Een toeslag blijft op zijn plaats. Wij kozen voor een toeslag van 10 procent van de gehuwdennorm, ongeacht het aantal anderen dat in de woning zijn hoofdverblijf heeft. Derde lid Het is noodzakelijk te bepalen dat een gehuwde, die als gevolg van het feit dat de partner van 21 tot 27 jaar een WIJ-inkomensvoorziening krijgt als alleenstaande of alleenstaande ouder moet worden aangemerkt, wordt uitgesloten van het recht op een toeslag. Als er geen ten laste komende kinderen zijn is voor beiden de norm voor een alleenstaande van toepassing. Omdat de norm alleenstaanden 50 procent van het wettelijk minimumloon is, garanderen beide normen samen het normbedrag voor een gezin. In die situatie is daarom geen ruimte voor het verstrekken van een toeslag. Dat zou over en weer leiden tot verlaging van de uitkering door de toets of de gezamenlijke middelen uitkomen boven de gehuwdennorm (artikel 36, lid 5, WIJ en artikel 32, lid 3, WWB). Vierde lid Onder sub a is het eerste lid van artikel 25 WWB uitgewerkt. In de wettekst wordt aangegeven, dat in geval van thuisinwonende kinderen van 18 jaar of ouder niet de aard van de inkomstenbron, maar de hoogte hiervan doorslaggevend is voor het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan. Sub b is terug te vinden bij de begripsbepalingen in artikel 1, lid 2.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel