Naar hoofdinhoud

Hoofdstuk 2 › Afdeling 3 › Paragraaf 1

Artikel 2.3.1.2

Exploitatie horecabedrijf

Onderdeel van Algemene Plaatselijke Verordening gemeente Eindhoven 2010

1.. Het is verboden een horecabedrijf te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2.. De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid, indien de vestiging of de exploitatie van het horecabedrijf in strijd is met een geldend be­stemmingsplan. 3.. In afwijking van het bepaalde in artikel 2.1.5.1 beslist de burgemeester in geval van een vergunningenaanvraag die ook betrekking heeft op een of meer bij het horecabedrijf behorende terrassen voor zover deze  zich op de weg bevinden over de ingebruikneming van die weg voor het terras. 4.. Het bepaalde in het derde lid geldt niet, voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Woningwet, de Wet beheer rijkswaterstaatswerken of de Wegenverordening Noord Brabant 2006. 5.. De burgemeester kan een vergunning voor het exploiteren van een horeca­bedrijf waarin geen alcoholhoudende dranken worden verkocht weigeren, in­dien de leidinggevende van het horecabedrijf niet voldoet aan de eisen die wor­den gesteld bij of krachtens artikel 8, tweede lid, alsmede artikel 8, derde lid, of artikel 27, eerste lid, onder b van de Drank- en Horecawet. 6.. De burgemeester weigert een vergunning voor het exploiteren van een horeca­bedrijf, waarin alcoholhoudende dranken worden verkocht, indien de leiding­gevende van het horecabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als be­doeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. 7.. Een vergunning voor het exploiteren van een horecabedrijf, waarin alcoholhou­dende dranken worden verkocht, vervalt indien de leidinggevende van het hore­cabedrijf niet in het bezit is van een vergunning als bedoeld in artikel 3 van de Drank- en Horecawet. 8.. Het eerste lid geldt niet voor een horecabedrijf in een winkel als bedoeld in artikel  1 van de Winkeltijdenwet voor zover de horeca een nevenactiviteit is van de winkelactiviteit en waarbij het  horecabedrijfmaximaal twintig vierkante meter mag bedragen en niet meer dan twintig procent van het vloeroppervlak van het voor publiek toegankelijke winkelgedeelte. 9.. Voor het horecabedrijf als bedoeld in het achtste lid gelden dezelfde sluitingstijden als voor een winkel. 10.. Voorts geldt het eerste lid niet voor een horecabedrijf in een bioscoop,  theater, museum, gildehuis, sportvereniging, sportschool, dansschool (behalve als er eveneens openbare dansavonden georganiseerd worden),   biljart/snooker­centrum, bowlingcentrum, vrijetijdsaccommodaties met uitzondering van verenigingsgebouwen, studieverenigingen binnen het TUE-terrein, verpleeg-,  verzorgings- en ziekenhuizen.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel