1. Het aantal personen dat heeft overnacht, wordt met betrekking tot:
a. mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste jaarplaatsen of op vaste seizoenplaatsen, bepaald op 2,3;
b. mobiele kampeeronderkomens op seizoenplaatsen, bepaald op 3;
c. mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste seizoenplaatsen en seizoenplaatsen, gelegen op een camping met minder dan 26 staanplaatsen, bepaald op 2,2;
d. mobiele kampeeronderkomens, vakantieonderkomens en stacaravans op vaste standplaatsen, vaste seizoenplaatsen of op seizoenplaatsen, bepaald op:
1o 2,6, indien sprake is van een voorseizoenarrangement;
2o 2,6, indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement;
3o 2,4, indien sprake is van een naseizoenarrangement;
4o 2,1, indien sprake is van een maandarrangement.
2. Het aantal malen dat door de in het eerste lid bedoelde personen is overnacht, wordt:
a. in geval van het eerste lid, sub a, bepaald op: 55;
b. in geval van het eerste lid, sub b, bepaald op: 53;
c. in geval van het eerste lid, sub c, bepaald op: 40;
d. in geval van het eerste lid, sub d, bepaald op:
1o 29, indien sprake is van een voorseizoenarrangement;
2o 39, indien sprake is van een verlengd voorseizoenarrangement;
3o 15, indien sprake is van een naseizoenarrangement;
4o 12, indien sprake is van een maandarrangement.
Artikel 6.
Fortaitaire berekeningswijze van de maatstaf van heffing
Onderdeel van Verordening op de heffing en invordering van toeristenbelasting 2015