Aan de in artikel 36, eerste en tweede lid, van de wet gestelde voorwaarde
met betrekking tot het geen uitzicht hebben op inkomensverbetering, gelet op
de omstandigheden van die persoon, wordt voldaan:
indien op de uitkering van de belanghebbende gedurende een periode
van 12 maanden vóór de peildatum geen
verlaging op grond van artikel 18, vierde lid van de wet, artikel
18b, tiende of elfde lid, van de wet, of artikel 10, tweede of derde
lid, artikel 13, eerste lid of artikel 14, eerste lid van de
Afstemmingsverordening Participatiewet Capelle aan den IJssel 2015
of artikel 10, tweede of derde lid of artikel 12, eerste lid, van de
Afstemmingsverordening Ioaw en Ioaz Capelle aan den IJssel 2011 is
toegepast; en
indien de belanghebbende gedurende (een deel van) de referteperiode
geen opleiding of studie heeft
gevolgd dan wel volgt als bedoeld in de WTOS of de WSF 2000; en
indien naar het oordeel van het college de krachten en bekwaamheden
van de belanghebbende dusdanig zijn dat aannemelijk is dat in een
periode van 12 maanden vanaf de peildatum
geen uitzicht op
inkomensverbetering bestaat; en
indien de belanghebbende op de peildatum
geen persoon is jonger dan 27 jaar,
tenzij:
artikel 9, vijfde lid, van de wet, op de peildatum op de
belanghebbende van toepassing is; of
de belanghebbende op de peildatum een Wajong-uitkering
ontvangt en geen arbeidsvermogen heeft; of
op de belanghebbende onderdeel c van toepassing is.
Artikel 2
Geen uitzicht op inkomensverbetering
Onderdeel van Nadere regels individuele inkomenstoeslag Participatiewet