Naar hoofdinhoud

Artikel 1

Opleggen wijkverbod

Onderdeel van Beleidsregel Wijkverbod Vlaardingen

1.. In artikel 6 van deze beleidsregel staan de gedragingen genoemd waarvoor een wijkverbod kan worden opgelegd. 2.. Een wijkverbod geldt voor het gebied waarbinnen de in artikel 6 genoemde gedraging heeft plaatsgevonden. Indien de gedraging heeft plaatsgevonden tijdens een B- of C-evenement[1] wordt een verbod opgelegd waarbij voor het gebied aansluiting wordt gezocht bij het evenemententerrein, dan wel het gebied waar het evenement plaatsvindt. [1] De APV van Vlaardingen definieert drie soorten vergunningplichtige evenementen, gerelateerd aan het effect van het evenement op het gemeenschapsleven. Hierbij wordt door middel van een risicoanalysemodel een evenement ingeschaald. A-evenementen hebben een beperkte impact op de omgeving en het verkeer. Het is een kleinschalig evenement tot circa 5.000 bezoekers. Een B-evenement heeft een gemiddeld risico met een grote impact op de directe omgeving en gevolgen voor het verkeer. C-evenementen hebben een grote impact op de stad en/of regionale gevolgen 3.. Voordat een wijkverbod wordt opgelegd ontvangt een persoon die zich voor de eerste keer schuldig heeft gemaakt aan een gedraging genoemd in artikel 6, een schriftelijke waarschuwing. In deze waarschuwing staat het beleid ten aanzien van het wijkverbod uitgelegd. De waarschuwing wordt één keer gegeven en geldt binnen heel de gemeente Vlaardingen voor de duur van 6 maanden. 4.. Indien ten aanzien van een persoon voor de tweede maal binnen 6 maanden na de waarschuwing, een gedraging genoemd in artikel 6 wordt geconstateerd, wordt een verbod opgelegd om zich gedurende 3 dagen te bevinden op een in het verbod aangewezen gebied. Bij overtreding van een wijkverbod wordt een proces-verbaal opgemaakt op grond van artikel 2.91, eerste lid APV. 5.. Aan een persoon die zich binnen 6 maanden na het opleggen van een wijkverbod in hetzelfde gebied voor de tweede maal schuldig maakt aan een gedraging genoemd in artikel 6, wordt conform het bepaalde in artikel 2.91, tweede lid APV een verbod opgelegd om zich gedurende het in artikel 7 genoemde tijdvak te bevinden in het in het verbod genoemde gebied, waar of in de nabijheid waarvan de genoemde gedragingen hebben plaatsgevonden. Bij overtreding van een wijkverbod wordt een proces-verbaal op grond van artikel 2.91, tweede lid APV, opgemaakt. 6.. De in het vierde en vijfde lid beschreven procedure geldt niet als het wijkverbod is opgelegd in het kader van een in artikel 6 genoemde gedraging rond een evenement. Voor een evenement kan alleen een verbod voor de duur van het evenement dan wel voor maximaal 3 dagen worden opgelegd. 7.. Gedurende de looptijd van het wijkverbod kan slechts één keer een nieuw wijkverbod worden opgelegd.

Verwijzingen

Rechtspraak bij dit artikel