Deze beleidsregels treden in werking op 1 januari 2015.
Op dat moment worden de volgende regels ingetrokken:
a.Voor de gemeente Maassluis:
“Beleidsregels waarschuwing inlichtingenplicht 2013-2”;
“Beleidsregels terug- en invordering en verhaal 2013”
b.Voor de gemeente Vlaardingen:
“Beleidsregels waarschuwing inlichtingenplicht WWB/IOAW/IOAZ 2013-2”;
“Beleidsregels bijzondere bijstand Vlaardingen 2013”;
“Beleidsregels terug- en invordering en verhaal SZW 2013”;
“Beleidsregels WWB 2012”;
hoofdstuk II van het “Uitvoeringsbesluit participatie gemeente Vlaardingen 2010”;
c.Voor de gemeente Schiedam:
“Beleidsregels verhaal WWB 2012”;
“Beleidsegels terug- en invordering SZW 2013”;
“Beleidsregels waarschuwing inlichtingenplicht 2013-2”;
“Beleidsregels re-integratie 2012”;
“Beleidsregels duurzame gebruiksgoederen gemeente Schiedam 2012.
Aldus vastgesteld door
burgemeester en wethouders van Maassluis in de vergadering d.d.
de secretaris, de burgemeester,
mr. A.J.T. Korthout drs. J.A. Karssen
Aldus vastgesteld door
burgemeester en wethouders van Vlaardingen in de vergadering d.d.
de secretaris, de burgemeester,
C.Kruyt A.B. Blase
Aldus vastgesteld door
burgemeester en wethouders van Schiedam in de vergadering d.d.
de secretaris, de burgemeester,
ir. J.C. van Ginkel MCM C.H.J. Lamers
Algemene toelichting
Gezien de veelheid van documenten met beleidsregels in het kader van de WWB, en Ioaw en de IOAZ, zeker als dat wordt bezien voor de gezamenlijke MVS-gemeenten, is de wetswijziging per 1 januari 2015 aangegrepen om niet alleen te komen tot zo veel mogelijk uniformering van de beleidsregels voor Maassluis, Vlaardingen en Schiedam, maar ook tot een samenvoeging van alle beleidsregels in één document om misverstanden over de gelding van beleidsregels te voorkomen.
Deze beleidsregels hebben daarom niet alleen betrekking op gewijzigde wetgeving als gevolg van de implementatie van de Wet Maatregelen WWB, de Invoeringswet Participatiewet en de Verzamelwet SZW 2015, maar zijn voor een groot deel ook een nieuwe vastlegging van reeds bestaande beleidsregels.
In verband met de totstandkoming van Stroomopwaarts MSV is ook gekozen om één gelijkluidend document vast te stellen voor de drie gemeenten. Waar een gemeente een afwijkende beleidsregel kent, is die afwijking ook in dit document opgenomen. Hiermee wordt voorkomen dat afwijkingen alleen te vinden zijn in een afzonderlijk, gemeentegebonden document en in de uitvoering door Stroomopwaarts MSV uit beeld raken.
Artikelsgewijze toelichting
Hoofdstuk 1
Artikel 1.1
Dit artikel behoeft geen toelichting.
Hoofdstuk 2
Artikel 2.1
Deze beleidsregel is overgenomen uit een bestaande beleidsregel en legt vast in welke gevallen volstaan wordt met een waarschuwing wegens schending van de inlichtingenplicht in plaats van het opleggen van een bestuurlijke boete.
Artikel 2.2
In de uitspraak van de CRvB ECLI:NL:CRVB:2014:3754, WW, d.d. 24 november 2014 komt naar voren dat er geen toereikende basis is om te oordelen dat sprake is van een wettelijk vastgestelde boete. Dit blijkt uit de beleidsvrijheid die aan bestuursorganen is gegeven om het aspect verwijtbaarheid nader in beleidsregels te regelen. Alleen al om die reden kan niet worden gezegd dat de wet voor een schending van de inlichtingenverplichting ‘exact voorschrijft hoe hoog de bestuurlijke boete moet zijn’. Dat betekent dat de boetes moeten worden getoetst aan de ernst van de overtreding, de mate van verwijtbaarheid en de omstandigheden waaronder de schending heeft plaatsgevonden (volgens artikel 5:46, tweede lid, van de Awb).
Het vanaf 1 januari 2013 in het sociale zekerheidsrecht gecreëerde boeteregime vraagt om een indringender toets aan het evenredigheidsbeginsel, omdat de voor de hoogte van de boete aan het benadelingsbedrag te relateren percentages sterk zijn verhoogd en per die datum het tot dan toe geldende maximumboetebedrag van € 2.269,- is vervallen.
Voor strafrechtelijke beboeting van fraude met socialezekerheidsuitkeringen en -toeslagen op grond van artikel 227a of artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht is het kunnen aantonen van opzet essentieel. Het opzettelijk niet naar waarheid gegevens verstrekken of het opzettelijk nalaten tijdig gegevens te verstrekken wordt als misdrijf gekwalificeerd en met veel zwaardere straffen bedreigd dan wanneer het gaat om overtredingen die strafbaar zijn gesteld in artikel 447c of artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht (verstrekken van onware gegevens voor uitkering of nalaten tijdig gegevens te verstrekken). Daarvoor geldt het vereiste van opzet niet. Voor de genoemde opzetdelicten is bestraffing mogelijk met een geldboete van de vijfde categorie en voor de andere delicten is dat een geldboete van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.
Gelet op deze constatering wordt de hoogte van de boete als volgt vastgesteld: - 100% van het benadelingsbedrag als sprake is van opzet. - 75% van het benadelingsbedrag bij grove schuld. - 50% van het benadelingsbedrag als er geen sprake is van opzet of grove schuld. - 25% van het benadelingsbedrag als er sprake is van verminderde verwijtbaarheid.
Aan de hand van deze percentages wordt de minimale boete eveneens verlaagd naar afgerond bedragen van € 150, € 110, € 75 en € 40. De minister heeft wel aangegeven dat de minimale boete uit het Boetebesluit zal gaan verdwijnen, maar het is toch wenselijk een richtlijn te hebben bij schendingen van de inlichtingenplicht waarbij de benadeling gering of nihil is.
De termen ‘opzet’ en ‘grove schuld’ zijn afkomstig uit het strafrecht. Opzet spreekt voor zichzelf. Met ‘grove schuld’ wordt de situatie aangeduid dat er weliswaar geen sprake is van ‘opzet’, maar waarin het redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat de inlichtingenplicht geschonden werd en desondanks heeft plaatsgevonden.
De boete mag nooit hoger zijn dan de maximale geldboete die de strafrechter op grond van artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht zou hebben kunnen opleggen. Dat betekent ten tijde van het schrijven van deze beleidsregels (december 2014) € 81.000 bij opzet en € 8.100 als er geen sprake is van opzet.
Artikel 2.3
Dit artikel is overgenomen uit een bestaande beleidsregel. De regel legt vast op welke manier getoetst wordt of een jongere tijdens de zoekperiode heeft voldaan aan zijn verplichtingen.
Artikel 2.4
Artikel 18b, tweede en vierde lid, van de wet betreft de invoering van de taaleis. Het artikel geeft het college de vrijheid om termijnen vast te stellen. Met de vaststelling op acht weken is gekozen voor het in de wet vastgelegde maximum.
NB: het is nog niet zeker dat artikel 18b al per 1 januari 2015 in werking zal treden. Het wetsvoorstel is op 18 november 2014 aangenomen door de Tweede Kamer.
Hoofdstuk 3
Artikel 3.1
Dit artikel komt gedeeltelijk uit bestaande beleidsregels en voegt daar aan toe dat belanghebbende niet alleen in theorie, maar ook feitelijk in staat moet zijn om het onderwijs te volgen. Zo is het niet mogelijk om in juli bijstand te weigeren als belanghebbende pas in september met de betreffende opleiding kan starten. Deze aanvulling is gedaan naar aanleiding van jurisprudentie.
Hoofdstuk 4
Artikelen 4.1 en 4.2
Deze artikelen regelen wanneer kamerhuur en kostgangerschap als commercieel betiteld kunnen worden.
Er is een koppeling gelegd naar het puntensysteem dat de huurcommissie gebruikt voor het berekenen van de maximale huur van woonruimte. Dit is een vrij ingewikkelde methode van vaststelling, maar wel objectief en afgestemd op de waarde die aan woonruimte toegerekend kan worden op grond van oppervlakte, voorzieningen en luxe. Het opnemen van één vast bedrag is weliswaar eenvoudiger in de uitvoering, maar doet geen recht aan de verschillen tussen kamers.
Als compromis tussen objectieve beoordeling en eenvoudige uitvoering is een grensbedrag opgenomen: als de huur of het kostgeld hoger is dan die grens wordt de overeenkomst altijd commercieel geacht, terwijl bij een prijs onder deze grens de rekenmethode van de Huurcommissie gevolgd moet worden.
Artikel 4.3
Dit artikel regelt de hoogte van de bijstand bij het ontbreken van woonkosten. Een beleidsregel is nodig geworden door de wijziging van het normensysteem en het vervallen van de Toeslagenverordening WWB. Zonder beleidsregel zou de volledige bijstandsnorm uitbetaald moeten worden.
Gekozen is voor 30% van de gehuwdennorm bij het volledig ontbreken van woonkosten. Dit percentage is de ondergrens die bereikt kan worden via toepassing van de kostendelersnorm en doet dus recht aan de omstandigheid dat er geen kosten zijn.
Wanneer een belanghebbende geen woning, maar wel aantoonbare woonkosten heeft, bijvoorbeeld bij verblijf in De Elementen, wordt de uitkering 10% hoger vastgesteld.
Artikel 4.4
Artikel 4.4 voorziet in een lagere bijstand voor schoolverlaters gedurende het eerste halfjaar na het einde van de studie of beroepsopleiding. De rechtvaardigingsgrond voor deze verlaging ligt in de omstandigheid dat studenten gewend zijn aan een laag inkomensniveau en bij het ontvangen van de volledige normbijstand weinig prikkel ervaren om aan het werk te gaan.
Ook deze verlaging is een aan de Participatiewet aangepaste voortzetting van een bestaande verlaging.
Hoofdstuk 5
Artikel 5.1
Wanneer in een commerciële kamerhuur of kostgangersrelatie de bijstandsgerechtigde de verhuurder/kostgever is, heeft die bijstandsgerechtigde inkomsten die in aanmerking genomen moeten worden. Voor aftrek van kosten is alleen plaats als de bijstandsgerechtigde, bijvoorbeeld via een boekhouding, voldoende onderbouwing/bewijs verstrekt.
Artikel 5.2
Deze regel is een overname van bestaand beleid.
Hoofdstuk 6
Artikel 6.1
Dit artikel bevat grotendeels bestaand beleid, maar betekent voor Maassluis en Schiedam een aanscherping van de termijn waarbinnen een aanvraag moet worden ingediend. Deze aanscherping zal met name naar beroepsmatige vertegenwoordigers van cliënten (bewindvoerders en advocaten) uitdrukkelijk gecommuniceerd moeten worden en gedurende een overgangsperiode zal coulant omgegaan moeten worden met later ingediende aanvragen.
Als de colleges van Maassluis en/of Schiedam kiezen voor het handhaven van de onder de WWB gehanteerde termijn wordt dit opgenomen in artikel 6.9.
Artikel 6.2
Dit is bestaand beleid.
Artikel 6.3
De vaststelling van de draagkracht vindt plaats op de zelfde manier als onder de WWB was vastgelegd. Ook ten aanzien van de gehanteerde draagkrachtpercentages bestonden er onder de WWB verschillen tussen Maassluis, Schiedam en Vlaardingen. Verschillen die onder de Participatiewet gehandhaafd worden, zijn vermeld in artikel 6.9.
Artikelen 6.4 t/m 6.7
Dit is bestaand beleid.
Artikel 6.8
Dit is bestaand beleid. De in het tweede lid bedoelde kosten zijn:
100% voor een brilmontuur tot maximaal € 46 (maximaal één keer per drie kalenderjaren);
100 % tot maximaal € 114 per brillenglas of contactlens (maximaal één keer per drie kalenderjaren);
100 % voor orthodontie tot maximaal € 2.050 (vervolgens 75% alleen voor AV-Topverzekerden);
100 % eigen bijdrage kraamzorg thuis;
100 % eigen bijdrage thuiszorg;
100 % extra kosten medisch noodzakelijk dieet (vraag naar de voorwaarden);
100 % eigen bijdrage tot maximaal € 360 per hoortoestel (maximaal één keer per vijf kalenderjaren);
100 % batterijen hoortoestellen tot maximaal € 50 per jaar;
100 % uitbreidingen tandheelkunde;
100 % pedicure tot maximaal € 120 per jaar (alleen bij diabetespatiënten/neurologische aandoeningen);
100 % eigen bijdrage steunzolen;
100 % eigen bijdrage ziekenvervoer;
100 % kledingslijtage maximaal € 152 per jaar.
Artikel 6.9
In dit artikel is vastgelegd op welke onderdelen van bijzondere bijstand door een gemeente wordt afgeweken.
Hoofdstuk 7
Artikel 7.1
In dit artikel wordt uitgewerkt op welke manier beoordeeld wordt of iemand uitzicht heeft op inkomstenverbetering en daarom geen aanspraak heeft op de individuele inkomenstoeslag. De uitwerking is gebaseerd op de bestaande uitsluitingsgronden voor de langdurigheidstoeslag/het minimabudget. De formulering is wel wat genuanceerder omdat de wet duidelijk aangeeft dat de beoordeling moet plaatsvinden op individuele overwegingen, alsook vanwege een rechterlijke uitspraak die aangeeft dat een generieke uitsluiting van alle personen met arbeidsverplichtingen in strijd is met de wet.
Hoofdstuk 8
Artikelen 8.1 tot en met 8.7
Deze artikelen zijn overgenomen uit bestaande beleidsregels.
Een aantal van deze regels heeft geen betrekking op terugvordering wegens het schenden van de inlichtingenplicht omdat dit inmiddels geen bevoegdheid meer is, maar een wettelijke verplichting.
Ook de regels die aangeven onder welke omstandigheden bij een fraudevordering kan worden afgezien van verdere terug- en invordering, zijn in de wet opgenomen. Daarom zijn die regels niet meer als beleidsregel opgenomen.
Specifieke toelichting verdient de betalingstermijn bij terug- en invordering. Deze termijn is in de drie MVS-gemeenten niet gelijk geregeld. Maassluis hanteert een termijn van 30 dagen en heeft daarvoor een verordening vastgesteld conform artikel 4:87 Awb. Vlaardingen en Schiedam hanteren een termijn van zes weken conform artikel 4:87 lid 1 Awb.
Deze betalingstermijnen zijn in de werkprocessen en de geautomatiseerde termijnbewaking verweven en kunnen alleen met een behoorlijke inspanning worden aangepast. Om bij de invoering van de Participatiewet toch gelijkluidende beleidsregels te hebben is de termijn opgenomen zonder de duur daarvan expliciet te vermelden. In het kader van Stroomopwaarts zal te zijner tijd bezien worden welke termijn de voorkeur heeft en vervolgens zal deze termijn in het gezamenlijke werkproces geïmplementeerd worden.
Hoofdstuk 9
Artikelen 9.1 tot en met 9.3
Ook deze regels zijn grotendeels afkomstig uit bestaande beleidsregels. Wel zijn meer mogelijkheden opgenomen om af te zien van verhaal, omdat het onderzoek naar verhaalsmogelijkheden vaak spaak loopt op steeds wijzigende omstandigheden (minder vaste dienstverbanden) en onvindbare personen. De onderzoeken zijn naar hun aard ingewikkeld en tijdrovend, en als een onderzoek dan eindelijk afgerond is en tot een verhaalsbesluit heeft geleid, blijkt vaak dat de omstandigheden al weer veranderd zijn zodat nieuw onderzoek nodig is. Deze onderzoeken kosten veel tijd en geld en leveren vaak niet meer op dan oninbare vorderingen. De nieuwe beleidsregel opent de mogelijkheid om iets gemakkelijker af te zien van verhaal.
Hoofdstuk 10
Artikelen 10.1 tot en met 10.3
Deze artikelen behoeven geen toelichting.
Gemeenteblad 2015-7
Artikel 10.3
– Inwerkingtreding beleidsregels
Onderdeel van Beleidsregels Participatiewet, IOAW, IOAZ en Bbz 2004 Maassluis, Vlaardingen en Schiedam 2015
Verwijzingen
- Artikel 1
- Artikel 2
- Artikel 6
- Artikel 6
- Artikel 5
- artikel 23
- Artikel 6
- artikel 4
- Artikel 4
- artikel 6
- Artikel 3
- Artikel 2
- Artikel 4
- Artikel 7
- artikel 18b
- artikel 23
- Artikel 6
- Artikel 2
- artikel 447d van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 18b
- Artikel 5
- Artikel 4
- artikel 227b van het Wetboek van Strafrecht
- Artikel 2
- artikel 6
- artikel 4
- artikel 447c
- artikel 5
- artikel 227a
- Artikel 6